Onsterfelijkheid/Ongeborenheid

Vandaag de dag spreekt men alleen nog van de onsterfelijkheid. Dan leert men helemaal niet de werkelijkheid kennen.  Onsterfelijkheid is de ontkenning van de dood. Zeker, die is zo waar als de andere kant – we zullen er veel over te spreken hebben -, maar dat wat men het eerst leert kennen op de weg van de kennis, die ik alleen maar kon schetsen, dat is niet de onsterfelijkheid, de ontkenning van de dood, maar de ongeborenheid, de ontkenning van de geboorte.

Ongeborenheid is van een mens even essentieel als onsterfelijkheid. En als men dat eenmaal weer zal begrijpen, dat de eeuwigheid deze twee kanten heeft, de onsterfelijkheid en de ongeborenheid, dan zal men pas weer met begrip kunnen doordringen in het blijvende, in het waarlijk eeuwige in de mens.

De moderne talen hebben allemaal nog steeds het woord onsterfelijkheid; maar het woord ongeborenheid, dat de oudere talen wel hebben gehad, hebben de talen verloren. Eerst heeft men de ene zijde van de eeuwigheid verloren, de ongeborenheid, en nu, in het materialistische tijdperk, is voor de kennis van de mens de tragische tijd begonnen, waarin men ook de onsterfelijkheid kan verliezen, doordat men in de puur materialistische wereldbeschouwing helemaal niets meer wil weten van wat leeft als geestelijks, als spiritueels in de mens.

Bron: Rudolf Steiner – GA 227 – Initiations-Erkenntnis: Erste Schritte zur imaginativen Erkenntnis – Penmaenmawr, 19 augustus 1923 (bladzijde 49-50)