Zelfzucht/Onzelfzuchtigheid

Ligt in deze uitspraak dat men occulte krachten niet in dienst mag stellen van het persoonlijk egoïsme, op een bepaalde manier niet een onmogelijke eis voor de mens van deze tijd? Deze vraag moeten wij allereerst beantwoorden. Natuurlijk stellen diegenen die dat zeggen als eerste gebod op: gij moogt niet egoïstisch zijn! – Vanzelfsprekend, dat is een hoogste gebod. Maar voor wie met de werkelijkheid denkt, komt het er niet op aan dat zulke geboden opgesteld worden, maar of dergelijke geboden wel kunnen nageleefd worden. En wie gelooft dat het gebod om niet egoïstisch te zijn, door de mens van deze tijd zo zonder meer kan nageleefd worden, die geeft zich aan een grote illusie over. Diegene die het als zijn plicht beschouwt om illusies te ontmaskeren, die moet ook de illusie teniet doen dat een dergelijk gebod gemakkelijk zou kunnen worden nageleefd. Misschien treedt er ergens een mens naar voren en zegt: ik wil in de wereld actief zijn op een totaal onzelfzuchtige wijze!

Als nu iemand zegt dat hij op een onzelfzuchtige manier in de wereld wil actief zijn, dan is dat een zeer, zeer mooi ideaal. Maar als we dan wat verder vragen: waarom wil je zo onzelfzuchtig zijn, waarom leg je jezelf dit gebod op? – dan hoort men merkwaardige antwoorden, bvb.: door onzelfzuchtig te zijn kom ik langzamerhand tot een hoger niveau van volkomenheid; ik kan niet verdragen een waardeloze mens te zijn; ik wil een mens zijn die van betekenis is voor de wereld. – Als men dit gevoel zou analyseren, dan zou men erachter komen dat achter het motief om onzelfzuchtig te zijn dikwijls het ongelooflijkste egoïsme steekt, dikwijls een veel groter egoïsme dan hetgeen men aantreft bij mensen die helemaal niet onzelfzuchtig willen zijn, maar die eenvoudigweg hun zelfzuchtige instincten volgen. Volgt u de gedachtegang maar, u zult zien hoeveel zelfzucht er in de drang naar onzelfzuchtigheid steekt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 101 – Mythen und Sagen Okkulte Zeichen und Symbole – Berlijn, 21 oktober 1907 (bladzijde 118-119)

Eerder geplaatst op 17 juni 2013  

Positiviteit

In alles, ook in het meest weerzinwekkende kan hij die ernstig zoekt wel iets vinden dat de moeite waard is. Het vruchtbare van de dingen ligt niet in wat eraan ontbreekt, maar in wat ze wél hebben.

Bron: Rudolf Steiner – GA 12 – DIE STUFEN DER HÖHEREN ERKENNTNIS (bladzijde 32-33)

Eerder geplaatst op 23 oktober 2012

De doden werken in op ons leven

We zijn alleen van de zogenaamde doden gescheiden doordat we niet met het gewone bewustzijn in staat zijn waar te nemen hoe de krachten van de doden, het leven van de doden, de acties van de doden in ons eigen leven inwerken (Duits: hereinspielen). Want deze krachten, deze daden van de doden, dringen voortdurend door in ons gevoelsleven en in ons wilsleven. We leven dus met de doden. En het is wel belangrijk om zich in onze tijd duidelijk te maken hoe spirituele wetenschap de taak heeft om dit bewustzijn van de verbondenheid (Duits: des Zusammengehörens) met de dode zielen te ontwikkelen.

De voortgaande aardse evolutie zal niet heilzaam kunnen verlopen, zonder dat de mensheid dit levendige gevoel van het samenzijn met de doden ontwikkelt. Want het leven van de doden speelt langs veelvoudige omwegen in op het leven van de zogenaamde levenden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 179 – Geschichtliche Notwendigkeit und Freiheit/ Schicksalseinwirkungen aus der Welt der Toten – Dornach, 10 december 1917 (bladzijde 55)

Immoraliteit/Waarheid

Niemand die de gevolgen van immoraliteit werkelijk kent, kan in waarheid immoreel zijn. De reële werkingen van de oorzaken moet men leren. Reeds de kinderen moet men daar op wijzen. Het immorele bestaat alleen maar omdat de mensen geen inzicht hebben, ze weten het niet. Slechts de duisternis van de onwaarheid maakt het immorele mogelijk.

Bron: Rudolf Steiner – GA 127 Die Mission der neuen Geistesoffenbarung – Bielefeld, 6 maart 1911 (bladzijde 135)

Eerder geplaatst op 16 juni 2013

Denkdiscipline

Wij staan nu in het tijdvak waarin een grote ommekeer moet plaatsvinden : de mensen moeten werkelijk denkende mensen worden in plaats van denkautomaten. Het is verschrikkelijk nietwaar wanneer men zoiets zegt, want de mensen van deze tijd beschouwen zichzelf vanzelfsprekend als denkende mensen, en als men van hen verlangt dat ze nu eens denkende mensen gaan worden, dan vinden ze dat eigenlijk een belediging. Maar toch is het zo.

Sinds het midden van de 15de eeuw is het zo gegaan dat de mensen altijd meer en meer denkautomaten geworden zijn. De mensen geven zich als het ware over aan de gedachten, ze beheersen ze niet. Stelt u zich eens voor hoe het er zou uitzien indien u met de ledematen hetzelfde deed als de meeste mensen tegenwoordig doen met hun denkorganen. Vraagt u zich eens af of de tegenwoordige mens zeer geneigd kan zijn – ik zeg : kan zijn – om willekeurig een gedachte op te nemen en willekeurig een gedachte kan afsluiten. De gedachten borrelen tegenwoordig door het hoofd van de mens. De mensen kunnen er zich niet tegen verzetten, ze geven er zich automatisch aan over. Daar stijgt een gedachte op, de vorige verdwijnt, dat vliegt en flitst door het hoofd, en de mensen denken op een dusdanige manier dat men eigenlijk het best zou kunnen zeggen : het denkt in de mens.

Stelt u zich eens voor dat het met uw armen en benen op dezelfde manier zou gaan, dat u die even weinig zou kunnen beheersen als u uw denken beheerst. Stelt u zich eens een mens voor die over de straat gaat en zijn armen zouden op dezelfde ongecontroleerde manier bewegen als zijn denkorgaan beweegt ! U weet wat er allemaal door iemands hoofd gaat wanneer hij over straat wandelt en nu stelt u zich voor hoe hij voortdurend met armen en handen zou gesticuleren zoals dat met de gedachten in ons hoofd gaat !

En toch staan we voor het tijdperk dat de mensen moeten leren om op dezelfde manier controle te krijgen over hun gedachten zoals ze controle hebben over hun armen en benen. In dat tijdperk treden we binnen. Een bepaalde innerlijke discipline van het denken is wat nu moet plaatsvinden en waarvan de mensen vandaag nog zeer ver verwijderd zijn.

Bron: Rudolf Steiner – GA 190 – Vergangenheits- und Zukunftsimpulsen im sozialen Geschehen – Dornach, 23 maart 1919 (bladzijde 48-49)

Eerder geplaatst op 15 juni 2013