Continuïteit van het bewustzijn

In het huidige stadium van de ontwikkeling verlaat de mens in de slaap zijn lichaam. Hij wandelt, soms ver verwijderd van zijn fysieke lichaam, in de astrale wereld en komt daar met andere wezens van de astrale wereld samen en wisselt gedachten met hen uit. Wanneer de mens echter ontwaakt, herinnert hij zich dat niet. Dat hangt samen met zijn huidige stadium van ontwikkeling. De ontwikkeling kan echter steeds hoger en hoger worden.

De leerling, die onder leiding van een zogenaamde meester leert, kan langzamerhand zijn bewustzijn tot een continu, tot een voortdurend bewustzijn maken. Dan zal hij de ervaringen van de nacht zich tijdens zijn waaktoestand als herinnering in zijn bewustzijn kunnen brengen. Als de leerling deze continuïteit van het bewustzijn bereikt heeft, dan herinnert hij zich wat hij in de astrale wereld heeft ontvangen. Deze bevindingen van de leerling zijn niet in de fysiek-zintuiglijke wereld geleerd,  maar ze zijn in de astrale wereld ervaren en overgebracht in zijn fysieke leven. Dit is wat Plato bedoelde als hij over de herinnering aan hogere zielstoestanden spreekt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 88 – Über die astrale Welt und das Devachan – Berlijn, 18 november 1903 (bladzijde 62-63)

Eerder geplaatst op 1 mei 2017

Ook een ziener kan zich in een detail vergissen

Niemand is in staat de astrale wereld in zijn totaliteit te beschrijven; ze is rijker en omvangrijker dan onze fysieke wereld. Ik geef toe dat ook de geestelijke onderzoeker zich in een detail kan vergissen, net zoals men zich in de fysieke wereld kan vergissen, als men bijvoorbeeld de hoogte van een berg bepalen wil. Maar net zomin als een dergelijke fout in een detail een reden kan zijn om de fysieke wereld te ontkennen, net zomin kan een mens geneigd zijn vanwege een fout in een detail de werkelijkheid van de astrale wereld te ontkennen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 88 – Über die astrale Welt und das Devachan – Berlijn, 28 oktober 1903 (bladzijde 32)

Eerder geplaatst op 29 april 2017

De mens is zich niet bewust van de uitwerking van zijn gevoelens

Niet voor niets, niet zinloos heeft de antroposofische beweging de mensen gewezen op deze onzichtbare werelden, waarvan de mensen een deel zijn, waarin we voortdurend invloeden uitoefenen. U kunt geen woord spreken, geen gedachte denken zonder dat gevoelens in de ruimte een uitwerking hebben. Zoals onze daden in de ruimte werken, zo werken ook de gevoelens; ze doortrekken de ruimte en beïnvloeden de mensen en de gehele astrale wereld.

De mens is zich onder gewone omstandigheden niet bewust, dat een stroom van werkingen van hem uitgaat, dat hij een oorzaak is waarvan de uitwerkingen overal in de wereld zijn waar te nemen. Hij is zich er niet van bewust, dat hij daardoor ook onheil aanrichten kan, dat hij stromen van lust en onlust, van hartstochten en driften de wereld inzendt, die op andere mensen op zeer schadelijke wijze kunnen werken. Hij is zich niet bewust wat hij met zijn gevoelsleven teweegbrengt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 88 – Über die astrale Welt und das Devachan – Berlijn, 28 oktober 1903 (bladzijde 27)

Eerder geplaatst op 28 april 2017 

De taak van de antroposofische beweging

Het is in wezen de taak van de antroposofische beweging ons bekend te maken met werelden die ons iedere dag en ieder uur omgeven, met werelden waarin we leven, maar waarvan we onder normale omstandigheden niets weten. Niet met werelden die buiten de onze liggen wil de antroposofie ons bekend maken, niet met werelden die in voor ons ontoegankelijke plaatsen te vinden zijn, maar met de werelden die voortdurend onze wereld beïnvloeden, die ons altijd omgeven, die ons echter onbekend blijven, omdat onze organen daarvoor niet ontsloten zijn. Vooralsnog kunnen we alleen maar spreken van deze werelden. We kunnen er alleen maar op wijzen en ertoe aansporen om deel te nemen aan de activiteit waardoor de mensen de organen ontsluiten voor deze hogere werelden, zodat hij in staat is deze hogere werelden waar te nemen, zoals hij tegenwoordig alleen in staat is de gewone wereld waar te nemen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 88 – Über die astrale Welt und das Devachan – Berlijn, 28 oktober 1903 (bladzijde 20)

Eerder geplaatst op 27 april 2017

Egoïsme/Zielekracht

Een mens kan niet sterk en krachtig worden wanneer hij van de morgen tot de avond zit te piekeren: Wat moet ik nu denken? Wat moet ik nu doen? Wat doet mij nu weer pijn? enzovoort, maar wel wanneer hij op zijn hart laat inwerken wat er in zijn omgeving aanwezig is aan schoonheid en grootsheid, wanneer hij begrip en belangstelling heeft voor alles wat andere harten in gloed zet of wat andere mensen moeten ontberen. Wanneer we die gevoelens in  ons laten opstijgen, waardoor wij komen tot begrip voor en deelname aan de wereld om ons heen, brengen wij in onszelf levenskrachten in de gevoelswereld tot ontwikkeling. Dan overwinnen wij het kleinzielige egoïsme en verhogen en verrijken ons ik, doordat we het in harmonie brengen met onze omgeving. […]

Zolang de mens alleen voor zichzelf kan willen, zolang zijn wilsimpulsen alleen nastreven wat bevorderlijk is voor zijn eigen wezen, zal hij zich steeds onbevredigd voelen. Pas wanneer hij in de buitenwereld het spiegelbeeld van zijn wilsimpulsen ziet, wanneer zich daar de verwerkelijking van zijn wilsimpulsen afspeelt, kan hij zeggen dat hij zijn willen in harmonie heeft gebracht met wat er in zijn omgeving gebeurt. Dan is het inderdaad zo, dat onze eigen sterkte en kracht niet tot ontwikkeling gebracht worden door wat wij voor onszelf willen, maar dat wij willen voor de omgeving, voor de andere mensen; dat onze wil zich verwerkelijkt en als spiegelbeeld weer tot ons terugkeert. Zoals het licht het oog in ons tevoorschijn heeft geroepen, zo doet onze zielekracht zich in ons ontstaan uit de wereld van onze daden, van ons werken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 58 – Metamorphosen des Seelenlebens/Pfade der Seelenerlebnisse – Erster Teil – Berlijn, 25 november 1909 (bladzijde 235-236)

Vertaling door Margreet Meijer-Kouwe, overgenomen uit Metamorfosen van het zieleleven – Uitgeverij Vrij Geestesleven/Tweede druk 1985 (bladzijde 136-137)

Eerder geplaatst op 23 april 2017