Bewustzijn na de dood

Met de dood treedt niet een tekort aan bewustzijn in, integendeel. Een teveel, een overvloed van bewustzijn is er na het overlijden. Men leeft en weeft geheel in bewustzijn, en zoals het sterke zonlicht de ogen bedwelmt, zo is men aanvankelijk door het bewustzijn bedwelmd, men heeft teveel bewustzijn. Dit bewustzijn moet eerst verzwakt (Duits: herabgedämmert) worden, zodat men zich oriënteren kan in het leven dat men na de dood is ingegaan.

Dat duurt lange tijd, het gebeurt geleidelijk aan op zodanige wijze dat na de dood steeds meer momenten komen, waarin het bewustzijn een dergelijke oriëntering mogelijk maakt; dat de ziel voor een min of meer korte tijd tot zichzelf komt en dan weer in een soort slaapachtige toestand verzinkt, zoals men het zou kunnen noemen. Dan worden langzamerhand zulke momenten steeds langer, de ziel komt meer en meer in dergelijke omstandigheden, tot er een volledig oriënteren in de geestelijke wereld is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 159 – Das Geheimnis des Todes – Hannover, 19 februari 1915 (bladzijde 35)

Advertenties