Over autoriteit en opvoeding van voelen en willen

Wanneer het kind liefdevol ontwikkeld wordt doordat het steunt op de autoriteit, wanneer het kind voelen en willen leert door op anderen te steunen, de volwassenen, op de opvoeder en leraar, dan wordt op het juiste ogenblik, namelijk met de geslachtsrijpheid zijn eigen zelfstandig voelen en willen geboren. Ons voelen en willen kunnen we pas op de juiste manier ontwikkelen als we deze aan de ander, aan de mensen die voor ons als autoriteit gelden, ontwikkelen. Is er een te vroege zelfstandige ontwikkeling van de wil, dan komen namelijk ook bepaalde verborgen functies van de wil te vroeg en dat is schadelijk voor het hele leven. En tot intiemere wilsorganisaties kom je te vroeg wanneer er geprobeerd wordt, met name morele en religieuze impulsen te vroeg aan het eigen oordeel te onderwerpen.
Je kan niet anders zeggen dan dat het kind tot aan de puberteit moet leren, moreel te zijn door de invloed van morele en religieuze autoriteiten. Pas met de geslachtsrijpheid begint het ziele-geestwezen van de mens zo vrij van het lichaam te worden dat wij het aan het eigen oordeel kunnen overlaten. Wanneer je deze dingen tegenwoordig uitspreekt, krijg je vooral het vooroordeel van deze tijd tegen je. Toen ik in min of meer openbare lezingen deze zaak van het natuurlijke autoriteitsgevoel uitsprak in Duitsland, toen daar alles nog onder invloed stond van een schijnrevolutie, die geen echte revolutie geworden is, sprak men mij overal aan vanuit achtergronden die het liefst alle autoriteit zover mogelijk van kinderen vandaan wilden houden, die het liefst wilden dat het gedaan zou zijn met opvoeding en onderwijs en dat de kinderen onder elkaar op een democratische manier elkaar zouden opvoeden en aan elkaar leren. Ik moest daarop antwoorden dat kinderen dat helemaal niet willen; goed begrepen willen kinderen leiding, willen van een autoriteit houden en wat zich in hen ontwikkelt als liefde tot de autoriteit hangt met hun eigen natuur samen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 301 – Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft – Bazel, 4 mei 1920 (bladzijde 148-149)

Vertaling: Pieter Witvliet. Voor zijn vertaling van de gehele voordracht zie: VRIJESCHOOL – PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE ACHTERGRONDEN

Astrologie veelal oplichterij en onzin

Longziekte is iets wat door velerlei oorzaken komen kan. Dat men weet dat de long is aangetast, daarmee heeft men nog niet veel bereikt. De longen kunnen aangetast zijn vanuit de spijsvertering. Men moet weten waar het vandaan komt. Longziekten hebben veel mensen. Bij velen heeft de longziekte de meest verschillende oorzaken. Zo veel heb ik u in deze uren er over verteld dat de mens niet alleen van de aarde afhankelijk is, maar van de hele sterrenhemel. Maar dat is ook juist wat het meest gecompliceerde inzicht vereist. Daarmee moet men geen kwaad aanrichten. De oplichterij en onzin worden immers tegenwoordig door verscheidene astrologen in de wereld op grote schaal bedreven. […] Men heeft in de astrologie iets zeer nobels en groots als grondslag liggen; maar bij degenen die vandaag de dag astrologie beoefenen, ligt niets zeer nobels ten grondslag. Bij hen ligt meestal de speculatie op de geldbuidel van hun medemensen ten grondslag.

Bron: Rudolf Steiner – GA 352 – Natur und Mensch in geisteswissenschaftlicher Betrachtung – Dornach, 2 februari 1924 (bladzijde 77-78)

Eerder geplaatst op 8 augustus 2016  

Gecompliceerd en groots

In deze wereld, die niet de zintuiglijke is, bereidt de mens, zoals ik al vermeld heb, zijn geestkiem. Ik heb u gezegd, men moet niet geloven dat alle cultuur- en beschavingswerken van de mensen op aarde, hoe gecompliceerd en groots ze ook mogen zijn, aan grootsheid bereiken van wat gedaan wordt tussen de mensen en de wezens van de hogere hiërarchieën, om dit hele wonder van het menselijke fysieke organisme eerst in de geestelijke wereld op te bouwen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 219 – Das Verhältnis der Sternenwelt zum Menschen und des Menschen zur Sternenwelt – Dornach, 26 november 1922 (bladzijde 14)

Overmatige aardappelvoeding schadelijk

Menige oogziekte op oudere leeftijd komt eruit voort dat de mens als kind te veel met aardappelen is gevoed. De mens wordt dan slechtziend, krijgt zwakke ogen. Het is werkelijk zo dat de mensen in Europa vroeger in de ouderdom veel minder slechtziend werden dan tegenwoordig. En dat komt doordat, behalve dat wat anders op de ogen werkt – maar dat werkt niet eens zo sterk, omdat het niet innerlijk werkt, elektrisch licht en dergelijke -, het overmatig aardappelgenot (chips, patat) zeer schadelijk op de ogen, op het gezichtsvermogen en zelfs op het smaakvermogen werkt – zelfs op het smaakvermogen! Ziet u, dan blijkt namelijk het volgende. Stel dat een mens al in de kindertijd te veel aardappelen eet. Bij zo’n persoon zult u op latere leeftijd zeer vaak zien dat hij nooit weet, wanneer hij genoeg heeft, omdat zijn smaak bedorven is door het aardappelgebruik, terwijl een mens die niet te veel aardappelen heeft gegeten, meteen door zijn instinct weet wanneer hij genoeg heeft.

Bron: Rudolf Steiner – GA 352 – Natur und Mensch in geisteswissenschaftlicher Betrachtung – Dornach, 23 januari 1924 (bladzijde 59)

Eerder geplaatst op 7 augustus 2016

Atmosfeer na de dood

Zoals we hier door zomerwarmte en winterkou heen op de aarde leven, zo leven we na de dood, verwarmd door onze goede gevoelens, kou lijdend door onze slechte gevoelens; en de uitwerkingen van ons willen dragen we door deze geestelijke jaargetijden en dagen heen.

We zijn, als we door de poort van de dood zijn gegaan, eerst de uitwerking van onze morele gesteldheid op aarde. En we hebben een omgeving die doortrokken is van onze dwaasheden en wijsheden, van onze sympathieën en antipathieën voor het goede.

Zodat we kunnen zeggen: Zoals we op aarde de warme, levensbevorderende zomerlucht om ons heen hebben, zoals we de koude winterlucht om ons heen hebben, zo hebben we na de dood een atmosfeer om ons heen, de geestelijke-psychische atmosfeer, die warm, levengevend is, voor zover ze bereid is door onze goede gevoelens, en we hebben een koude atmosfeer om ons, voor zover ze bereid is door onze slechte gevoelens.

Hier op deze aarde hebben we, in ieder geval voor bepaalde gebieden, de zomer- en winterwarmte gemeenschappelijk. In de tijd na de dood heeft elk zijn eigen atmosfeer, die hij zelf creëert. En dat zijn juist de belangrijkste ervaringen na de dood, dat de ene naast de andere rilt van de kou, terwijl de andere in levengevende warmte is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 219 – DAS VERHÄLTNIS DER STERNENWELT ZUM MENSCHEN UND DES MENSCHEN ZUR STERNENWELT – Dornach, 1 december 1922 (bladzijde 41)