Gedachten zijn realiteiten

Om door te dringen in de bovenzinnelijke wereld is denken in overeenstemming met de werkelijkheid nodig. Dat vereist dat men duidelijk voor ogen ziet hoe de dingen zijn. Gedachten zijn realiteiten en onware gedachten zijn kwade, belemmerende, vernietigende realiteiten. […]

Waarachtigheid (Duits: Wahrsein) is een ideaal dat de hedendaagse mens voor ogen zou moeten staan. Want gedachten zijn werkelijkheden. En ware gedachten zijn heilzame werkelijkheden. En onware gedachten, ook als ze nog zo zeer door de mantel van toegeeflijkheid jegens het eigen wezen toegedekt worden, onware gedachten zijn realiteiten die de wereld en de mensheid achteruit brengen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 181 – Erdensterben und Weltenleben – Berlijn, 5 maart 1918 (bladzijde 86-87)

Advertenties

Over matigheid en gezondheid

Men kan op de meest uiteenlopende manieren onmatig (Duits: unbesonnen) zijn. Men kan onmatig zijn door overmatig eten en drinken. Dit is de laagste soort van onmatigheid. Dan gaat de ziel volledig op in de lichamelijke begeerten, en we leven ons volledig in ons lichaam uit. Als we echter onze begeerten in de hand nemen, als we in feite het lichaam bevelen wat hij doen mag en niet doen mag, dan zijn we bezonnen, men kan ook zeggen: matig. En dan behouden we door deze matigheid ook de krachten in orde, die meewerken moeten dat we in de volgende incarnatie de betreffende organen niet aan Lucifer overleveren. Want we leveren de krachten aan Lucifer uit door de overgave aan een hartstochtelijk leven. Het ergste in het geval wanneer de hartstochten ons in een roestoestand brengen, als we ons weldadig voelen in een staat van wegdromen en wegdoezelen.

Als we onze matigheid verliezen, geven we altijd krachten aan Lucifer over. Deze krachten neemt hij, maar daarmee neemt hij van ons ook de krachten, welke we voor de ademhalings- en spijsverteringsorganen nodig hebben, en we komen dan met slechte ademhalings- en spijsverteringsorganen weer op aarde, als we niet de deugd van de matigheid beoefenen. Degenen die zich graag laten meeslepen door hun begeerteleven, die zich aan hun hartstochten overgeven, zijn kandidaten voor de decadente mensen van de toekomst, voor de toekomstige mensen die onder alle mogelijke gebreken van hun fysieke lichaam zullen lijden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 159 – Das Geheimnis des Todes – Zürich, 31 januari 1915 (bladzijde 20-21)

Eerder geplaatst op 29 mei 2016

Hulp tegen egoïsme

Als een middel tegen egoïsme – dat zo sterk kan optreden, dat men daardoor een grote onrust (Duits: Beunruhigung) ervaart – is aan te bevelen het lezen en op ons laten inwerken van het Onze Vader of de Bergrede of het begin van het Evangelie van Johannes. Dit zal ons bij gelegenheid (Duits: Zeitweise) rust geven. Ook wat ons in deze dagen als het “Vijfde Evangelie” werd gegeven, is doeltreffend om een verdere toename van egoïsme te voorkomen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 266c – Aus den Inhalten der esoterischen Stunden-Band III – Bergen, 11 oktober 1913 (bladzijde 182)

Eerder geplaatst op 24 mei 2016

De doden zijn voortdurend aanwezig

Wij leven samen met de zogenaamde doden. De doden zijn voortdurend aanwezig. Ze zijn zich bewegend, werkend (Duits: sich verhaltend) in een bovenzinnelijke wereld. We zijn niet van hen gescheiden door onze realiteit, we zijn slechts van hen gescheiden door de staat van bewustzijn. We zijn niet anders van de doden gescheiden dan we in de slaap gescheiden zijn van de dingen om ons heen: We slapen in een kamer en we zien stoelen en misschien andere dingen niet, die in de kamer zijn, ondanks dat het aanwezig is.

We slapen in de zogenaamde waaktoestand met betrekking tot gevoel en willen midden onder de zogenaamde doden – we noemen het alleen niet zo -, net zoals we de fysieke voorwerpen, die om ons heen zijn, niet waarnemen als we slapen. We leven dus niet gescheiden van de wereld waarin de krachten van de doden werken; we zijn met de doden in een gemeenschappelijke wereld. Gescheiden van hen zijn we voor het gewone bewustzijn alleen door de bewustzijnstoestand.

Dit weten van het samenzijn met de doden zal een van de belangrijkste elementen zijn die de geesteswetenschap het algemene mensheidsbewustzijn, de algemene mensheidscultuur voor de toekomst moet inplanten. Want de mensen die geloven dat wat in de wereld gebeurt alleen gebeurt doordat de krachten werken die men in de zintuiglijke wereld waarneemt, kennen niets van de werkelijkheid; ze weten niet dat in het leven dat zich hier afspeelt, de krachten van de doden voortdurend inwerken, dat ze er voortdurend zijn.

Bron: Rudolf Steiner – GA 181 – Erdensterben und Weltenleben – Berlijn, 5 februari 1918 (bladzijde 53)

De waarheid moet “eenvoudig” zijn

Iedereen die slechts een beetje geleerd heeft hoe de dingen mechanisch samenwerken, zal toegeven een uurwerk niet te begrijpen zonder de samenhang van de radertjes te bekijken. Over de mens echter praat iedereen zonder een dergelijke eis te stellen, en iedereen gelooft ook over het hoogste wezen van de mens te kunnen praten, en hij beroept zich dan heel vaak op de uitspraak: Ja, de waarheid moet “eenvoudig” zijn -, en dan komt hij met het verwijt aan de geesteswetenschap dat er altijd in bestaat, dat de geesteswetenschap toch veel te gecompliceerd is.

Het menselijk verlangen mag er weliswaar naar uitgaan om in vijf minuten of misschien in helemaal geen tijd te verwerven wat voor de kennis van het hoogste wezen van de mens nodig is. Maar de mens is nu eenmaal een gecompliceerd wezen. Juist daarin bestaat zijn grootte in de wereld dat hij een gecompliceerd wezen is, en men moet de neiging tot gemakzucht in de kennis overwinnen, als men werkelijk in het wezen van de mens wil doordringen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 181 – Erdensterben und Weltenleben – Berlijn, 29 januari 1918 (bladzijde 42)