Onterecht verwijt aan de antroposofische wereldbeschouwing

Er wordt de antroposofische wereldbeschouwing begrijpelijkerwijs altijd de tegenwerping gemaakt, dat ze haar ideeën, haar resultaten verkondigt op basis van onderzoek, waarvoor de vaardigheden in de mens eerst ontplooid moeten worden, dat dus de onderzoeksresultaten van de antroposofie niet van het begin af aan geverifieerd kunnen worden, en dat ze toch deze beschouwingen aan de hiertoe onvoorbereide mensen verkondigt.

Maar juist dit verwijt, hoe schijnbaar gerechtvaardigd ook, behoort tot de meest onterechte verwijten die de antroposofische beweging kunnen worden gemaakt. Want het gaat er bij haar niet om elk individu onmiddellijk er toe te brengen een onderzoeker op bovenzinnelijk gebied te worden, maar het gaat erom de onderzoeksresultaten op een manier weer te geven, die door elke individuele mens getoetst (nachgeprüft) kan worden, eenvoudig door het gewone gezonde mensenverstand en de gewone gezonde logica.

Bron: Rudolf Steiner – GA 81 – Erneuerungs-Impulse für Kultur und Wissenschaft – Berlijn, 8 maart 1922 (bladzijde 75)

Eerder geplaatst op 31 maart 2014 

U kunt tegenwoordig vijandige geschriften vinden met argumenten die overgeschreven zijn uit mijn eigen boeken

Er zijn tegenwoordig zeer eigenaardige vijandige boeken. Velen van u zullen de antroposofische literatuur gelezen hebben en zullen daar vinden dat ik altijd op bepaalde plaatsen zelf in mijn boeken zeg wat men bij het een of ander kan tegenwerpen. Ik polemiseer altijd zelf, om dan aan te tonen hoe men wat ik beweer, uit de wereld kan helpen, zodat men de argumenten tegen de antroposofie bij mij in mijn eigen boeken al vinden kan. Nu zijn er vandaag de dag tegenstanders die er zich mee bezighouden de argumenten die ik zelf in mijn boeken tegen de antroposofie aangevoerd heb, over te schrijven en dat als vijandelijk geschrift tegen de antroposofie te verspreiden. U kunt dus tegenwoordig vijandige geschriften vinden die plagiaten zijn uit mijn boeken, waar eenvoudig is overgeschreven wat ik zeg. Het werk is de tegenstanders tegenwoordig juist eigenlijk ontzettend gemakkelijk gemaakt door deze omstandigheid, dat de antroposoof zelf in beschouwing neemt wat men voor bezwaren maken kan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 226 – Menschenwesen Menschenschicksal und Welt-Entwickelung – Kristiania (Oslo), 19 mei 1923 (bladzijde 76-77)

Eerder geplaatst op 29 maart 2014

Over waarneming van het karma van een mens

Als men op het karma van een mens wil komen, moet men hem niet op zijn beroep, niet op zijn sociale omstandigheden en niet op zijn kunnen of niet-kunnen bekijken, maar men moet diep in zijn ziel gaan, in de eigenschappen, in de vermogens (Duits: Fähigkeiten) die uiteindelijk in principe in elk beroep tot uitdrukking kunnen komen. Want men moet immers zien naar wat de mens in een vorig aardeleven was. […] Men moet er mee beginnen al het uiterlijke te doorzien en naar het innerlijk te kijken, het zuiver menselijke, dat waardoor de mens innerlijk mens, individueel geaard mens is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 346 – Vorträge und Kurse über christlich-religiöses Wirken: V – Dornach, 9 september 1924 (bladzijde 79)

Eerder geplaatst op 28 maart 2014

Abstractie/Werkelijkheid

Door de antroposofie leren we niet enkel naar de fysieke wereld te kijken en altijd maar te zeggen: Daar ligt geestelijks aan ten grondslag. – Dat is goedkoop. Daardoor maken we ons geen juiste gedachten eigen over de spirituele wereld. Degene die alleen filosofisch altijd maar zou willen zeggen: Nu ja, aan al het fysieke ligt een spirituele basis -, die lijkt op iemand die over een weide loopt, en een ander zegt hem: ‘Kijk eens, dat zijn paardenbloemen, dat zijn madeliefjes’  enzovoort -, maar hij zegt: ‘Dat wil ik allemaal niet weten. Dat is bloem, bloem, abstractie bloem!’ – Zo is het met iemand, die alleen als filosoof overal het pantheïstische, geestelijke erkennen wil, maar niet wil ingaan op de concrete, bijzondere vormgevingen (Duits: Ausgestaltungen) van het geestelijke.

Bron: Rudolf Steiner – GA 226 – Menschenwesen Menschenschicksal und Welt-Entwickelung – Kristiania (Oslo), 18 mei 1923 (bladzijde 56-57)

Eerder geplaatst op 25 maart 2014

Plankenkoorts

Rudolf Steiner wees het voorlezen van voordrachten aan de hand van manuscripten, zoals het tegenwoordig vaak gebruikelijk is, in principe af, en hij had daardoor ook altijd een levendig contact met de mensen die voor hem zaten. Ik heb hem veel later eens gevraagd, of hij nooit last heeft gehad van wat men plankenkoorts noemt en wat iedere spreker maar al te goed kent. Rudolf Steiner antwoordde tot mijn verbazing – want ik had het nooit aan hem gemerkt – dat het goed en noodzakelijk is dat de spreker enige plankenkoorts heeft, want dat komt doordat men niet met een vaststaande, starre inhoud voor het publiek treedt, maar ook tijdens het spreken nog met de best mogelijke omschrijving worstelt. Ook hij heeft deze toestand van innerlijke spanning bij een voordracht altijd ondervonden en raadde dringend aan deze niet te verliezen.

Bron: Guenther Wachsmuth: Die Geburt der Geisteswissenschaft (1941) – Lexicon Urs Schwendener

Eerder geplaatst op 20 maart 2014