Voorbeeld en navolging

In de eerste periode van het leven, dus van het eerste tot het zevende jaar is de mens voornamelijk een nabootsend wezen. Maar we moeten dit in de ruimste zin van het woord begrijpen. […] In verband met deze dingen komen soms mensen om raad vragen bij een of andere gelegenheid. Zo zei mij bijvoorbeeld eens een vader dat hij had te klagen over zijn vijfjarig kind. ‘Wat heeft dat vijfjarig kind dan gedaan?’ vroeg ik. ‘Het heeft gestolen’, zei de vader treurig. Ik zei hem: ‘Dan moet men echter eerst nagaan hoe de diefstal eigenlijk in zijn werk gegaan is.’

Toen vertelde hij mij, dat het kind stellig niet met boze opzet had gestolen. Hij had geld uit de lade van zijn moeder genomen en snoepgoed gekocht, maar dit snoepgoed dan op straat onder andere kinderen verdeeld. Dus blind egoïsme was het niet. Wat was het dan? Nu, het kind heeft dagelijks gezien hoe de moeder uit de la geld haalt. Met zijn vijf jaar is het kind een imitator (Duits: Nachahmer). Het heeft niet gestolen, het heeft eenvoudig de dingen die de moeder elke dag doet ook eenmaal nagedaan, want dat beschouwt het kind geheel instinctmatig als het juiste, wat de moeder altijd doet. – Dit is nu zo’n voorbeeld voor al de subtiele dingen, die men moet weten als men op een werkelijk met het mensenwezen overeenstemmend wijze zijn opvoedkunst wil opvatten.

Bron: Rudolf Steiner – GA 297a – Erziehung zum Leben – Utrecht, 24 februari 1921 (bladzijde 19-20)

Eerder geplaatst op 26 mei 2012

Advertenties

2 gedachtes over “Voorbeeld en navolging

  1. Ik vind dit citaat van Steiner bepaald geen recht doen aan mijn belevingen op aarde alvorens ik zeven jaar werd. Mijn sterkste beleving was op de kleuterschool, waar we werden opgevoed door de zusters der Liefde! Ik kon het destijds niet ontdekken waarom ze zusters der Liefde genoemd werden, want ze eiste keiharde dicipline van ons als kleuter. Je mocht alleen maar plassen, voordat je de kleuterklas betrad of wachten tijdens de pauzes en dan moest je in een rij gaan staan, menig klasgenoot of klagenote zag je gewoon tobben met zijn primaire behoefte op te houden tot de pauze en sommigen de het absoluut niet meer konden houden plaste dan in uiterste nood in hun broek en liep de plas via hun broek en hun stoetjel op de vloer.
    En dat zag de non, werd kwaad en bestrafte het kind. Zoöok kinderen die naar haar mening teveel spraken, die snoerde ze gewoon de mond door er een pleister op te plakken.
    Mijn kinderlijke geest dacht, als dit zusters van liefde zijn wat kan ik dan nog verwachten van een schoolse omgeving. Het is in een schoolse omgeving nooit meer goed gekomen, zelfs niet in mijn vijfentwintig jaar leraarschap. Ik ben vaak door de direktie op het matje geroepen om mijn handelswijze ten opzichte van mijn leidinggevenden te verantwoorden. Bij de direktie zei ik dan, met de nodige nuanceringen, dat ik er was voor de behoefte van de individuele leerling en niet voor opvattingen van mijn leidinggevenden. Het frappante in mijn leven is dat ik nooit langer dan vijf jaar in een bepaalde bedrijftak heb gewerkt, waar ik ook vijfentwintig jaar in vertoefd heb. In het onderwijs heb ik nooit een direkt leidinggevende langer dan vijf jaar gehad! Ze vertrokken allemaal voortijdig door onbekwaamheid of fusies.
    Ik vind dat Steiner wel veel meer ruimte geeft aan de opvoeding van ’n kind, maar het begrip van de essentie van mens minst, terwijl Jezus met zijn levende woord toch goed vertolkt heeft. Jezus schreef niet, maar handelde en sprak alleen. Uit liefde handelend en vertellend.
    Bram Moerland is een van de vertalers van het Thomas Evangelie, het Evangelie wat dicht bij mijn hart ligt.
    Jammer dat Steiner geen kennis heeft kunnen nemen van dit Evangelie, pas in 1945 gevonden, dan hij de Christenimpuls anders geïnterpreteerd hebben, maar los hier een interpretatie van Bram Moerland over de zingeving van de mens.
    ‘De wereld’ als bevroren zingeving
    Jezus zei:
    Als je niet vast ten opzichte van de wereld,
    zul je het koninkrijk niet vinden.
    Als je de sabbat niet als een sabbat in acht neemt,
    zul je nooit de vader zien.
    Als kind worden we opgenomen in de wereld van afspraken van onze ouders, leraren, priesters en regeerders. We leren de afspraken kennen die onze opvoeders met elkaar over de wereld hebben gemaakt. ‘Zo zit de wereld dus in elkaar’, denken we dan als brave kindertjes. En we stappen met die gedachte in de wereld van afspraken om ons heen. We worden zo vol toewijding deel van de wereld van onze opvoeders.
    Is het verkeerd dat we onszelf voegen in de wereld van onze opvoeders? In sommige spirituele tradities wordt beweerd dat we al deze afspraken over de werkelijkheid moeten verzaken, dat wil zeggen er helemaal afstand van nemen, er buiten blijven, omdat ze, als afspraken, niet werkelijk bestaan, ze zijn slechts een illusie, in de negatieve zin van dat woord.
    Maar in de gnostiek is dat anders. Daar gaat het er niet om de wereld van afspraken te verlaten en achter ons te laten. Doel van de gnostiek als spiritueel pad is: mensen te maken tot vrije deelnemers aan ‘de wereld’ en met die vrijheid tot medescheppers van de afspraken die we met elkaar over de wereld maken. Als vrije mensen kunnen we de liefde tot deelgenoot maken van het leven.
    Om tot die vrijheid in staat te zijn moeten we echter wel ons geloof in de absolute waarheid van de aangeleerde afspraken durven loslaten. Dus we laten niet de afspraken los, maar het geloof in de absolute waarheid daarvan. Dat is het ‘vasten’ ten opzichte van ‘de wereld.’
    Door het vasten ten opzichte van de wereld, en zo onze innerlijke vrijheid te behoeden, betreden we een oneindige ruimte aan zingeving. Dan kunnen we zelf in vrijheid onze betekenis verlenen aan het leven op aarde. Juist het feit dat we de aarde, de natuur, onze medemens, onszelf, in vrijheid met betekenis kunnen bekleden, is de scheppende goddelijke kracht in ons hart waar de gnostiek op doelt. Het vrijmaken van die scheppende kracht biedt de kans om het koninkrijk op aarde te vestigen, als althans onze betekenistoekenning verbonden is met de bewogenheid van ons hart.
    Maar wat is helaas vaak het geval? Als we geloven dat de aangeleerde beschrijving van de werkelijkheid hetzelfde is als de werkelijkheid zelf, als de vroegere zingeving bevroren is tot absolute waarheid, dan zitten we gevangen in ons eigen geloof, en zijn we daardoor niet verbonden met het hart. Dan toetsen we alles harteloos alleen aan de afspraken. Dan zijn de oordelen over onze medemensen ijskoud en liefdeloos. Daarom zijn helaas juist gelovigen tot de meest grove wreedheden in staat zijn, omdat ze hun geloof in de plaats stellen van hun hart.
    Maar als we ons bevrijden uit ons geloof in de absolute waarheid van de beschrijvingen waarin we zijn opgegroeid, ontstaat er ruimte om medeschepper te worden van het leven op aarde, vanuit de verbondenheid met de liefde in onszelf. Dan zal ons hart ontdooien, en gevoelig worden voor de verwantschap tussen alle mensen op zielenniveau.
    Pas dan kunnen we de twee één maken, ‘de wereld’ en het hart. Dan kunnen we zelfs ervaren dat ‘de Vader’ – wat je daar op het niveau van de beschrijving ook onder moge verstaan – als bron in ons eigen hart aanwezig is en ook daar gekend kan worden. Dan kunnen we medeschepper worden van het koninkrijk op aarde, waar vrede en gerechtigheid gestalten zijn van de onuitputtelijke liefde die in ons woont.
    Tot zover
    Groetjes Walter Hebing.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s