Gevaar/Egoïsme/Christusimpuls

Antroposofie wordt nu aan de mensheid gegeven, omdat de mensheid haar nu nodig heeft. Maar er schuilt een groot gevaar in, namelijk dat wanneer men zich uitsluitend met antroposofie bezighoudt en de Christusimpuls, de impuls van de liefde, daar niet in laat doorwerken, de mensen door de antroposofie het egoïsme in henzelf steeds meer laten uitgroeien, totdat het uiteindelijk over de grenzen van de dood heen grijpt. Daaruit moeten wij niet de conclusie trekken dat men zich niet met antroposofie moet bezighouden, maar wij moeten leren inzien, dat begrijpen wat liefde in wezen is, ook deel uitmaakt van antroposofie.

Bron: Rudolf Steiner – GA 143 – Erfahrungen des Übersinnlichen/Die drei Wege der Seele zu Christus – Die Liebe und ihre Bedeutung in der Welt – Zürich, 17 december 1912 (bladzijde 210)

Overgenomen uit het boekje Nervositeit – Wijsheid – Liefde / Vertaling Margreet Meijer-Kouwe / Uitgeverij Vrij Geestesleven  1976 (bladzijde 68-69)

Talenten/Reïncarnatie/Karma

De meeste voorstellingen die we ons gewoonlijk over reïncarnatie en karma vormen berusten op een dwaling. U zult ongetwijfeld wel eens hebben meegemaakt dat een antroposoof een ander mens, die bijvoorbeeld goed kan rekenen, ontmoet, en zich dan gemakkelijk de voorstelling vormt dat die ander in de vorige incarnatie een goed rekenaar is geweest. Helaas stellen antroposofen die zich als zodanig onvoldoende hebben ontwikkeld vaak op deze manier incarnatiereeksen op. Er wordt dan eenvoudig aangenomen dat de vorige incarnatie te vinden is doordat men de talenten die in de huidige incarnatie te voorschijn komen ook zal moeten aantreffen in de voorafgaande of wellicht meerdere voorafgaande incarnaties.

Deze manier van speculeren is buitengewoon ondeugdelijk. Gewoonlijk zit men er dan naast, want de werkelijke waarnemingen met de middelen van de geesteswetenschap laten meestal precies het omgekeerde zien. Bij mensen die bijvoorbeeld in de vorige incarnatie goede rekenaars, goede wiskundigen waren, zien we dat ze in de huidige incarnatie geen wiskundige begaafdheid vertonen, die ontbreekt geheel. En wie wil weten welke gaven hij in de vorige incarnatie hoogstwaarschijnlijk had – ik wijs er op dat wij nu het gebied van de waarschijnlijkheid betreden – wie wil weten welk vermogen tot intelligentie, kunstzinnigheid, enzovoort hij in de vorige incarnatie heeft gehad, doet er goed aan om na te gaan waartoe hij in deze incarnatie het minst geschikt is, welke gaven het minst ontwikkeld zijn. Als dat duidelijk is geworden, zal blijken waarin men in de vorige incarnatie waarschijnlijk heeft uitgeblonken, op welk gebied men in het bijzonder begaafd was. Ik zeg ‘waarschijnlijk’, omdat deze dingen enerzijds vaak waar zijn, maar anderzijds dikwijls door andere dingen doorkruist worden.

Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat iemand in de vorige incarnatie een bijzondere wiskundige begaafdheid had, maar vroeg is gestorven, zodat deze wiskundige begaafdheid zich niet volledig heeft kunnen verwerkelijken; hij zal dan in zijn volgende incarnatie weer met een wiskundige begaafdheid geboren worden – en deze incarnatie zal zich dan als een voortzetting van de vorige voordoen. De jong gestorven wiskundige Abel zal in zijn volgende incarnatie ongetwijfeld met een sterke wiskundige begaafdheid geboren worden. Als een rekenaar daarentegen heel oud is geworden en zijn begaafdheid zich heeft uitgeleefd, zal de bewuste persoon in zijn volgende incarnatie bepaald dom zijn op het gebied van de wiskunde. Zo ken ik iemand die zo weinig wiskundig begaafd was, dat hij als schooljongen getallen eenvoudigweg haatte. Alleen doordat hij voor andere vakken bijzonder goede rapportcijfers kreeg kon hij de school doorlopen. Dat kwam doordat hij in de vorige incarnatie een bijzonder goed wiskundige was geweest.

Als men hier verder op ingaat blijkt het volgende. Waar men zich in een incarnatie op toelegt, dat wil zeggen wat men niet alleen uiterlijk maar ook innerlijk als beroep uitoefent, dat gaat in de volgende incarnatie over in de opbouw van de organen. Als men bijvoorbeeld in een incarnatie een bijzonder goed wiskundige is geweest, neemt men dat wat men zich eigen heeft gemaakt aan beheersing van getallen en wiskundige figuren mee naar een volgende incarnatie. Het wordt dan verwerkt in een bijzonder gedifferentieerde vorming van de zintuigen, bijvoorbeeld van de ogen. Mensen die een goed gezichtsvermogen hebben, ontvangen deze zorgvuldige ontwikkeling van de oogvormen doordat ze in de vorige incarnatie in vormen gedacht hebben, en dit denken-in-vormen hebben meegenomen. In de tijd tussen dood en nieuwe geboorte hebben zij de vormgeving van hun ogen op bijzonder verfijnde wijze verzorgd. De wiskundige begaafdheid is dan in het oog overgegaan en leeft zich niet meer als zodanig uit.

Een ander geval dat occultisten bekend is, is dat van een individualiteit die heel intens in architectonische vormen leefde. Wat deze persoon daar beleefde, vormde zich om tot innerlijke zielekrachten en werkte uiterst gedifferentieerd het gehoororgaan uit. Zo werd deze individualiteit in de volgende incarnatie een groot musicus. Niet een groot architect, want de belevingsvormen die bij de architectuur hoorden, werden tot orgaanopbouwende krachten, zodat er niets overbleef dan een zeer sterke muziekbeleving.

Als wij de allerdomste kanten van ons wezen ontdekken, kunnen deze ons vrijwel zeker op het spoor brengen van de dingen waarin wij in de voorafgaande incarnatie hebben uitgeblonken. Hier blijkt dat het voor de hand ligt om juist deze dingen van de verkeerde kant aan te pakken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 135 – Reïncarnatie en karma – Berlijn, 23 januari 1912 (bladzijde 14-16)

Overgenomen uit de Nederlandse vertaling door H. Beran-Muller van Brakel: Reïncarnatie en Karma (bladzijde 12-15) – Uitgeverij Vrij Geestesleven 1981

Eerder geplaatst op 7 juni 2011

De oorlog van allen tegen allen

We gaan een tijd tegemoet waarin, zoals ik onlangs heb aangegeven, de mensen zullen begrijpen wat het atoom in werkelijkheid is. Het zal worden doorzien dat het atoom niets anders is dan gestolde elektriciteit.  De gedachte zelf bestaat uit dezelfde substantie.

Men zal inderdaad zo ver komen, nog voor de vijfde cultuurperiode (1413-3573 na Chr.) ten einde loopt, dat men in staat zal zijn op het atoom in te werken. Als men eerst de connectie van de materie tussen de gedachte en het atoom kan begrijpen, dan zal men spoedig  begrijpen hoe men het atoom kan beïnvloeden. En niets zal meer voor bepaalde soorten van uitwerkingen gesloten zijn: Ik zal hier kunnen staan en onopgemerkt op een knop, die ik in mijn broekzak draag, kunnen drukken om een object op een verafgelegen afstand, bijvoorbeeld in Hamburg, op te blazen, zoals u nu al draadloos kunt telegraferen, doordat u hier  een golfbeweging produceert en die op een bepaalde andere plaats tot uitdrukking kunt brengen. Dat zal kunnen optreden in de tijd, wanneer de occulte waarheid dat gedachte en atoom uit dezelfde substantie bestaan, in het praktische leven zal zijn doorgevoerd.

Het is onmogelijk voor te stellen wat er in zo’n geval zou gebeuren, als de mensheid dan niet tot onbaatzuchtigheid zou zijn gekomen. Alleen door het verwerven van onzelfzuchtigheid zal het mogelijk zijn de mensheid van de rand van de vernietiging  te weerhouden. De ondergang van ons tegenwoordige aardetijdperk zal teweeggebracht worden door het gebrek aan moraliteit. Het Lemurische aardetijdperk is door vuur ten onder gegaan, het Atlantische door water; het onze zal ten onder gaan door de oorlog van allen tegen allen, het kwaad, door de strijd tussen de mensen onder elkaar. De mensen zullen zich zelf in onderlinge gevechten vernietigen. En het troosteloze zal zijn – troostelozer dan andere soorten van ondergang -, dat de mensen zelf de schuld daaraan zullen dragen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 93 – Die Tempellegende und die Goldene Legende – Berlijn, 25 december 1904 (bladzijde 122-123)

Komt tot Mij allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matheus 11:28)

Door zorgen ontstaat spanning in het fysieke lichaam (Duits: ein Druck auf den physischen Leib). Tot op zekere hoogte moet ieder mens zorgen dragen voor wat voor hem nodig is; maar buiten deze grenzen zijn zorgen een groot euvel, want ze maken het denken onmogelijk, doordat ze de hersenen verdorren, zodat ze in het verdere leven niet in staat zijn nieuwe gedachten op te nemen. […]

Het grootste voorbeeld is Christus, die door allen erkend wordt als de Man der Smarten, de Heiland, op wie wij onze zorgen laden (Duits: abladen) kunnen. Wie dit weet en in Christus wil leven, die kan zich van zijn zorgen bevrijden (Duits: entladen) en zijn fysieke lichaam sterk en gezond maken, zodat ook zijn ziel gezond zal zijn.

Rudolf Steiner – GA 266a – Aus den Inhalten der esoterischen Stunden – Kassel, 27 Juni 1909 (Seite 493)

P.S. Voor de duidelijkheid zeg ik er even bij dat de titel, de bijbelspreuk dus, door mijzelf is toegevoegd en niet in de tekst van Steiner voorkomt.

Ik heb nogal wat moeite gehad met deze vertaling. Misschien lijkt het wel nergens op, maar het is beter dan niks. Opvallend is dat de Engelse vertaling, die in RS Archive staat, heel veel afwijkt van de oorspronkelijke Duitse tekst. Eigenlijk vind ik de Engelse tekst mooier dan de Duitse, maar ik heb bij de vertaling toch maar de Duitse tekst aangehouden, omdat de Engelse vertaling naar mijn idee wat te veel afwijkt van de oorspronkelijke tekst. Voor wie het interesseert, plaats ik hier onder die Engelse vertaling.

Worries put pressure on the physical body. We should do our duty, and also against opposition, but we shouldn’t worry too much. It’s hard to strike the right balance here between concern and standing above it, but too much worry dries out the brain so that it can’t take in new thoughts. 

The greatest man of sorrows was Christ, and as it says in I Peter 5:7  we should cast all our care on him; for he cares for you. That is, we should give all worries past a certain point to Christ so that He can make our physical body healthy and strong, so that our soul is also healthy.

Source: Rudolf Steiner – GA 266 – From the Contents of Esoteric Classes – Kassel, 27th June 1909

Waarom worden wij geboren?

Als wij onze blik naar de geestelijke werelden richten, zouden wij ons allereerst moeten afvragen: waarom worden wij vanuit die werelden geboren in de fysieke wereld? We worden in deze fysieke wereld geboren, omdat er hier op aarde dingen te ervaren en te beleven zijn, waarvoor geen mogelijkheid bestaat in de geestelijke werelden. De vruchten hiervan moet men meebrengen in de geestelijke werelden na de dood. Om dit alles te bereiken, moet men vooral de fysieke wereld met zijn geest willen leren kennen. Ter wille van de geestelijke wereld moet men onderduiken in deze fysieke wereld.

Bron: Rudolf Steiner – GA194 –  Die Sendung Michaels – Dornach, 12 december 1919 (bladzijde 166) Vertaling Margreet Meijer-Kouwe

Eerder geplaatst op 29 december 2011