Interesse voor andermans fouten in plaats van kritiek

Wat de mensheid enkel en alleen heil kan brengen in de toekomst – ik bedoel de mensheid, dus het sociale samenleven -, moet zijn een eerlijke interesse van de ene mens voor de andere. Wat ons huidige tijdperk bijzonder eigen is, is de afzondering van de ene mens van de anderen. Dat vereist de individualiteit, dat is een voorwaarde van de persoonlijkheid, dat een mens zich ook innerlijk van de anderen afzondert. Maar deze afzondering moet een tegenpool hebben, en deze tegenpool moet in het aankweken van een levendige interesse van mens tot mens bestaan. […] U vindt onder, ik zou willen zeggen, de meest elementaire impulsen, die worden aangegeven in mijn boek ‘De weg tot inzicht in hogere werelden’’, de impuls beschreven, die, als hij voor het sociale leven praktisch wordt, recht op verhoging van de interesse voor de mensen aanstuurt. U vindt immers overal aangegeven de zogenaamde positiviteit, de ontwikkeling van een positieve gezindheid. De meeste mensen in de huidige tijd zouden ronduit met hun ziel omkeren moeten van hun weg, als ze deze positiviteit ontwikkelen willen, want de meeste mensen hebben vandaag de dag niet eens een besef van deze positiviteit. Ze staan zo van mens tot mens, dat ze, als ze iets aan de andere mensen opmerken dat hen niet zint […], dan beginnen ze te veroordelen, echter zonder ervoor interesse te ontwikkelen. Het is in de hoogste mate antisociaal – misschien klinkt het paradoxaal, maar het is toch juist – voor de toekomstige mensheidsontwikkeling om zulke eigenschappen te hebben, om in onmiddellijke sympathie en antipathie de andere mensen te benaderen. Daarentegen zal het de mooiste, belangrijkste sociale eigenschap voor de toekomstontwikkeling zijn, als men juist een objectieve interesse voor de fouten van andere mensen ontwikkelt, als iemand de fouten van andere mensen veel meer interesseren dan dat men probeert ze te kritiseren.

Bron: Rudolf Steiner – GA 185 – Geschichtliche Symptomatologie – Dornach, 25 oktober 1918 (bladzijde 96-97)

Eerder geplaatst op 21 juli 2013

Het gezichtsvermogen voor “hogere” gebieden wordt door de ervaringen in een “lager” gebied geleidelijk ontwikkeld

Tot de gewichtigste ervaringen van de ingewijde behoort deze: hij leert de zintuiglijk zichtbare wereld naar haar werkelijke waarde beter kennen en op prijs stellen dan hem vóór zijn geestesscholing mogelijk was. Juist door de blik, hem in het bovenzinnelijke vergund, krijgt hij dit inzicht. Hij, die deze gebieden niet heeft aanschouwd en ze wellicht boven de zintuiglijke wereld verre verheven waant, kan deze laatste onderschatten. Wie echter de hogere gebieden aanschouwde weet dat hij zonder zijn wedervaren in de zichtbare werkelijkheid volkomen machteloos in de onzichtbare zou staan. Om in deze te leven moet hij daarvoor bewerktuigd en met zekere vermogens toegerust zijn. En alleen in de zichtbare werkelijkheid kan hij zich dit alles verwerven. Hij moet geestelijk kunnen zien, zal de onzichtbare wereld hem bewust worden. Maar dit gezichtsvermogen voor “hogere” gebieden wordt door de ervaringen in een “lager” gebied geleidelijk ontwikkeld. In een geestelijke wereld met geestesogen geboren worden, zonder die in de stoffelijke te hebben gevormd, is evenmin mogelijk als dat het kind geboren zou worden met fysieke ogen, zo deze zich niet hadden ontwikkeld in het moederlichaam.

Bron: Rudolf Steiner – GA 10 -Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten? (bladzijde 205-206)

Vertaling overgenomen uit de Nederlandse uitgave van GA 10 (bladzijde 177) – Uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist – Naam van de vertaler wordt niet vermeld.