Temperamenten/Kleine gevaren/Grote gevaren

In elk temperament gaat een klein en een groot gevaar van ontaarding schuil. Een cholerisch mens staat in zijn jeugd bloot aan het gevaar, dat door zijn opvliegendheid, zonder dat hij zich kan beheersen, zijn ik definitief gevormd wordt. Dat is het kleinere gevaar. Het grote gevaar is de dwaasheid, waarmee zo een ik op één enkel doel af wil gaan. Bij het sanguinische temperament dreigt als het kleinere gevaar de wispelturigheid. Het grote gevaar is, dat de op en neer deinende gevoelens in krankzinnigheid kunnen eindigen. Het kleinere gevaar bij het flegmatische temperament is het gebrek aan belangstelling tegenover de wereld. Het grote gevaar is hier de idiotie, het stompzinnige. Het kleinere gevaar bij het melancholisch temperament is de droefgeestigheid, de kans dat een mens er niet uitkomt over wat in zijn innerlijk opstijgt. Het grote gevaar is de waanzin.

Bron: Rudolf Steiner – GA 57 – Wo und wie findet man den Geist? – Berlijn, 4 maart 1909 (bladzijde 291)

Ook te vinden in: Raadsels van het menselijk temperament (Uitgeverij Vrij Geestesleven 1976 – bladzijde 55-56) Vertaling Christof Wiechert

Eerder geplaatst op 15 mei 2012

Met economische theorieën redden we het niet  

Een nuchtere economische theorie kan nooit een tegenkracht tegen de machten van het egoïsme uitoefenen. Een tijd lang is een dergelijke economische theorie in staat de massa een zeker elan te verlenen, dat dan ogenschijnlijk iets van idealisme weg heeft. Maar op den duur is niemand met zo’n theorie gebaat. Wie een mensenmassa met een dergelijke theorie indoctrineert, zonder verder iets werkelijk spiritueels te bieden, zondigt tegen de ware zin van de menselijke ontwikkeling.

Bron: Rudolf Steiner – Antroposofie en het sociale vraagstuk (Uitgeverij Vrij Geestesleven 1982 – bladzijde 41-42) Vertaling Edithe Boeke

Duitstalig: GA 34 – Geisteswissenschaft und soziale Frage – bladzijde 216

Eerder geplaatst op 13 mei 2012

Begrip tussen de religies

Er zal in niet al te verre tijd over de hele aarde een intiem begrip zijn over dat, wat in verleden tijden de ergste oorlogen, de vreselijkste disharmonieën over de mensheid heeft gebracht, zo lang ze in de afzonderlijke cultuurgebieden gesplitst waren, die niets van elkaar wisten. Wat zich in het groot over de aarde zal afspelen als een de gehele mensheid omvattende spirituele beweging, moet zich ook in het allerkleinste afspelen van ziel tot ziel. Hoe ver zijn nu nog de Boeddhisten en Christenen van elkaar verwijderd, hoe weinig begrijpen ze elkaar, hoe zeer wijzen ze elkaar af, als ze op de smalle (Duits: engsten) bodem van hun bekentenissen staan! Maar de tijd zal komen, dat er steeds meer boeddhisten zullen zijn, die vanuit het Boeddhisme geesteswetenschapper zullen zijn, en steeds meer Christenen, die vanuit het christendom geesteswetenschapper zullen zijn. En deze zullen elkaar het volste, diepste begrip tegemoetbrengen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 130 – Das esoterische Christentum und die geistige Führung der Menschheit – Düsseldorf, 5 mei 1912 (bladzijde 278)

Vreugde hebben we niet verdiend, maar is een geschenk en genade van goddelijke machten – 2 (slot)

[…] Dit betekent echter niet een soort preek tegen plezier, niet de oproep dat we ons aan zelfpijnigingen moeten overgeven, ons misschien met gloeiende tangen moeten knijpen en dergelijke. Dat moet het niet zijn. Als men een zaak op de juiste wijze erkent, betekent dat niet dat men ervoor vluchten moet. […] Maar we moeten de stemming ontwikkelen, dat we het als genade ervaren, en hoe meer, hoe beter, want des te meer duiken wij in het goddelijke. Dus niet om ascese te preken, maar om de juiste stemming tegenover lust en vreugde te wekken, zijn deze woorden gezegd. […] En in feite zijn zelfpijnigingen van asceten, monniken en nonnen een voortdurend opstaan tegen de goden. Het past ons dat we de smarten als iets voelen, dat ons door ons karma toekomt, en dat we de vreugde als genade voelen, die het goddelijke zich tot ons verwaardigen (Duits: herablassen) kan. Als teken hoe dichter God ons naar zich toegetrokken heeft, zal lust en vreugde ons zijn, en als teken hoe ver we verwijderd zijn van wat we als verstandige mensen bereiken moeten, zal pijn en verdriet ons zijn. Dit is de basisstemming tegenover karma, en zonder deze basisstemming kunnen we in het leven niet vooruitkomen. We moeten voelen aan wat de wereld ons als het goede en mooie laat toekomen, dat achter deze wereld de machten staan, waarvan in de Bijbel gezegd is: en zij zagen dat het mooi en goed was, de wereld. – In zoverre we echter pijn en smart ondervinden kunnen, moeten we erkennen dat, wat de mens in de loop van incarnaties uit de wereld, die aanvankelijk goed was, gemaakt heeft en wat hij verbeteren moet, doordat hij zich tot het energiek verdragen van deze smarten opvoedt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 130 – Das esoterische Christentum und die geistige Führung der Menschheit – Wenen, 8 februari 1912 (bladzijde 250-251)

Vreugde hebben we niet verdiend, maar is een geschenk en genade van goddelijke machten – 1

Terwijl wij door onze pijn en lijden aan ons zelf komen (zu uns selber kommen), ons zelf volkomener maken, ontwikkelen we door onze lust en vreugde – echter alleen als we ze als genade beschouwen – het gevoel, dat men alleen noemen kan een gevoel van gelukzalig rusten in de goddelijke machten en krachten van de wereld. En daarom is de enig gerechtvaardigde stemming tegenover plezier en vreugde alleen dankbaarheid. En niemand gaat op de juiste wijze om (Duits: komt zurecht mit) met lust en vreugde, die in eenzame uren van zelfkennis lust en vreugde toeschrijft aan zijn karma. Schrijft hij het aan zijn karma toe, dan geeft hij zich over aan een vergissing, die het geestelijke in ons verzwakt, verlamt. Iedere gedachte, dat een lust, een vreugde verdiend zou zijn, verzwakt en verlamt ons. Dat lijkt hard te zijn, want menigeen zou wel graag willen, als hij zich zijn smarten toeschrijft als zelf gewild en hem toekomend door zijn individualiteit, dat hij ook de eigen heer zou zijn over zijn lust en vreugde.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 130 – Das esoterische Christentum und die geistige Führung der Menschheit – Wenen, 8 februari 1912 (bladzijde 250)