Zelfzucht/Denken/Stemming/Ontevredenheid

Alle eigenschappen die met eigenzinnigheid en zelfzucht samenhangen, zoals eerzucht, ijdelheid, al deze dingen, die schijnbaar op iets anders werken, maken ons denken ongezond en werken op onze stemming in ongunstige zin terug. Daarom moeten wij ook de eigenzinnigheid, de zelfzucht, het egoïsme proberen te bestrijden; daarentegen ten opzichte van de dingen en wezens bereid zijn tot een zekere toewijding, een zekere offervaardigheid. Toewijding, opofferingsgezindheid tegenover de onbeduidendste onderwerpen en gebeurtenissen werken gunstig op het denken en de stemming. Inderdaad, zelfzucht en egoïsme straffen zichzelf doordat de zelfzuchtige steeds ontevredener en ontevredener wordt, steeds meer klaagt dat hij zelf te kort gekomen is. Als iemand dit in zichzelf bespeurt, zou hij aan karma moeten denken (Duits: sich unters Karmagesetz stellen) en zich afvragen, als hij ontevreden is: Welke zelfzucht heeft mij mijn ontevredenheid gebracht?

Bron: Rudolf Steiner  – GA 130 – Das esoterische Christentum und die geistige Führung der Menschheit – Leipzig, 5 november 1911 (bladzijde 134)

Eerder geplaatst op 13 april 2012.

Het menselijk lichaam: een wonder van volmaaktheid

Wanneer wij het menselijk lichaam alleen al uiterlijk bekijken, moeten wij tot onszelf zeggen: Wat is het menselijk lichaam toch een wonder van volmaaktheid! Wie bijvoorbeeld gewoon als anatoom of fysioloog het wonderbaarlijke bouwsel van het menselijk hart bekijkt, zal zeggen: Wat is alle menselijk verstand, wat is alle technische vaardigheid, vergeleken met wat daar aan wijsheid spreekt uit de bouw van het menselijk hart! Wat is al onze ingenieurstechniek, die bruggen en dergelijke bouwt, vergeleken met de structuur van het bot uit het menselijk bovenbeen, dat, wanneer wij het door de microscoop bekijken, zich aan ons voordoet als een prachtige constructie van kruislings aangebrachte balken. De mens geeft blijk van een tomeloze hoogmoed, wanneer hij zou willen geloven dat hij ook maar kan tippen aan wat als wijsheid is neergelegd in de bouw van het fysieke lichaam.

Bron: Rudolf Steiner  – GA 59 – Metamorphosen des Seelenlebens/Pfade der Seelenerlebnisse – Berlijn, 5 mei 1910 (bladzijde 252-253)

Ook te vinden in de Nederlandse uitgave Metamorfosen van het zieleleven.

 Eerder geplaatst op 11 april 2012.

Wetenschappelijke hoogmoed

Men kan er niets tegen hebben als iemand zegt: ‘Ik wil me aan een opgave wijden waarmee ik overweg kan.’ Dat staat de mensen vrij. Maar het is niet in de menselijke vrijheid om te zeggen: Wat ik niet weet, kan een ander ook niet weten. – Al het filosoferen over wat de mens niet weten kan, is eigenlijk in feite een wetenschappelijke onbeschaamdheid, en bovendien is het een ongekende wetenschappelijke grootheidswaan, omdat men zich opwerpt als de macht die uitmaakt wat onderzocht kan worden en niet onderzocht kan worden, omdat men wat men zelf aannemen wil, als gezaghebbend voor alle andere mensen opstelt. Wat een onmacht ligt in de zin: ‘Er zijn grenzen van de kennis!’ Welk een hoogmoed en eigendunk daarin ligt, zou men ook eens duidelijk moeten inzien. Dat zou niet in de oren gefluisterd, maar geschetterd moeten worden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 164 – Der Wert des Denkens für eine den Menschen befriedigende Erkenntnis/Das Verhältnis der Geisteswissenschaft  zur Naturwissenschaft – Dornach, 4 oktober 1915 (bladzijde 215)

Eerder geplaatst op 10 april 2012.

Godslastering

Een zin die men tegenwoordig zo vaak van mensen kan horen en die toch zo misplaatst (mißbräuchlich) als weinig andere zinnen wordt gebruikt, is: ‘Ik ben een christen.’ De esotericus moet duidelijk zijn, dat ‘een christen zijn’ een ver, ver ideaal is, waarnaar hij onophoudelijk streven moet. Als een christen leven, wil vóór alles zeggen: Wat het lot ons ook mag brengen, het met gelatenheid te accepteren, nooit te mopperen tegen het werk van de goden, vreugdevol te aanvaarden, wat ze ook sturen. Dat betekent met hart en ziel in zich op laten gaan de zin: ‘Kijk eens naar de vogels in de lucht: ze zaaien niet, ze maaien niet, slaan geen voorraden op in schuren, en het wordt hun toch gegeven.’ Dankbaar aannemen wat ons gegeven wordt, dan leven we volgens deze spreuken. Als we dat niet doen, dan wordt het in onze mond tot godslastering.

Bron: Rudolf Steiner – GA 266 b – Aus den Inhalten der esoterischen Stunden – Gedächtnisaufzeichnungen von Teilnehmern – Band II: 1910 – 1912 – Stuttgart, 31 december 1910 (bladzijde 125-126)

Ex Deo Nascimur

De goden gaven de mens, toen ze hem schiepen, ook fouten, opdat hij aan hen zijn krachten kan beproeven. Daarom moeten we de goden ook dankbaar zijn voor onze fouten; want de bestrijding daarvan maakt ons sterk en vrij. Geen moment echter moeten wij daarom van deze fouten houden. Goden, die ons zuiver en zonder gebreken zouden hebben geschapen, zouden we niet kunnen danken; want ze zouden ons tegelijk tot zwakkelingen hebben gemaakt. En we moeten onszelf zeggen: Al was de wereld vol duivels, we zijn toch door God ontstaan: Ex Deo Nascimur.

 Bron: Rudolf Steiner – GA 266 b – Aus den Inhalten der esoterischen Stunden –Gedächtnisaufzeichnungen von Teilnehmern – Band II: 1910 – 1912 – München, 11 december 1910 (bladzijde 116)