Waarom herinnert de mens zich zijn vroegere incarnaties niet?

Waarom herinnert de mens zich zijn vroegere incarnaties niet? Deze vraag heeft, zoals zij gesteld is, weinig zin. Dat zult u zo meteen inzien. Het is alsof iemand zegt: ‘De mensen noemen zich mensen, en een vierjarig kind staat voor ons dat niet kan rekenen’, en nu zegt hij: ‘Dit kind kan niet rekenen, het is echter een mens, dus kunnen de mensen niet rekenen.’ – Het is echter een kwestie van ontwikkeling. Ieder mens komt eenmaal op het punt waarop enige gevorderden, die zich vroegere levens kunnen herinneren, al gekomen zijn. Als hij zich niets herinneren kan, dan ligt het eraan dat hij zich deze vaardigheid eerst verwerven moet, zoals het kind zich de vaardigheid van lezen, rekenen en schrijven verwerft. De mens mag niet in dofheid het lot aan zich voorbij laten gaan, als hij zich door zijn belevenissen naar het punt omhoog wil werken waar hij herinneringen heeft aan vroegere aardelevens.

Bron: Rudolf Steiner – GA 054 – Berlijn, Die Welträtsel und die Anthroposophie – 15 februari 1906 (bladzijde 300)

Eerder geplaatst op 15 februari 2012