We moeten niet geloven dat, als we het intellect ontwikkelen, we ook het geestelijke in de mens ontwikkelen

Het intellect is vooralsnog het meest geestelijke in ons; als we het echter eenzijdig ontwikkelen, gevoel en wil niet met hem, dan ontwikkelen we altijd de neiging naar materialistisch denken. Hoewel het intellect in onszelf het meest geestelijke is gedurende het fysieke aardeleven, heeft dit intellect in ons de drang naar het materialisme. We moeten namelijk niet geloven dat, als we het intellect ontwikkelen, we ook het geestelijke in de mens ontwikkelen. Hoe tegenstrijdig het ook klinkt, toch is het waar: we ontwikkelen in de mens alleen het vermogen om het materiële te begrijpen doordat we zijn intellect ontwikkelen. Pas doordat we op smaakvolle, esthetische wijze zijn gemoed, zijn gevoelsleven ontwikkelen, pas daardoor wijzen we het intellect van de mens op het geestelijke. En pas doordat we wilsopvoeding bedrijven, zelfs als deze wilsopvoeding wordt gedaan door uiterlijke handvaardigheid, leggen we in de mens de basis voor het richten van het verstand op de geest. Als zo weinig mensen tegenwoordig de neiging hebben het intellect op de geest te richten, dan berust dit op het feit dat de wil zo verkeerd geschoold werd tijdens de kinderjaren.

Waardoor leren we echter als leraar de wil op de juiste manier op te voeden? Ik heb daar onlangs al opmerkzaam op gemaakt: We leren het doordat we het kind vóór alles actief laten zijn in de kunst; dat we zo mogelijk vroeg muziek, tekeningen, schilderijen het kind niet alleen laten aanhoren en aanschouwen, maar voor zover het mogelijk is, laten meedoen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 297 – Idee und Praxis der Waldorfschule – Stuttgart, 31 augustus 1919 (bladzijde 60)

Daarvan kan men niets weten

Het is voor veel mensen moeilijk om zichzelf te zeggen: er is nog een gebied waarvan men misschien wat ervaren kan, als men zich in bepaalde ideeën en onderzoekingen verdiept. Het is veel gemakkelijker voor deze mensen om te zeggen: Dat is een gebied waarvan alle mensen niets weten – omdat zij zelf nog niets daarvan weten. Alleen, dat men van het een of ander zelf niets weet, dat is nog geen bewijs, dat men daarvan niets kan weten, hoewel deze conclusie merkwaardig vaak getrokken wordt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 072 – Freiheit Unsterblichkeit Soziales Leben – Bazel, 19 oktober 1917  (bladzijde 69-70)

Eerder geplaatst op 21 december 2011

Het is vandaag de dag een grote zonde als iemand beweert iets anders te weten dan wat zijn persoonlijke mening is

Ik was onlangs bij het Volkenbondcongres in Bern, waar over van alles gesproken werd, waarover het nu onnodig is te spreken, omdat het toch tot niets leidt, en waarover van alles niet werd gesproken, wat tegenwoordig het meest nodig is. Maar dat wil ik niet eens als het belangrijkste noemen. Als de hoofdzaak wil ik noemen een bepaalde wijze van formuleren, die bij bijna elke spreker aan de dag kwam. In minstens iedere derde zin hoort men bij deze sprekers het woord ‘ik’: Ik ben van mening-, ik bedoel-, mij lijkt het dat dit of dat nodig is-, ik hou van dit of dat-, dat kunt u in bijna elke zin horen. En de mensen worden zowat woest, als men niet instemt met deze toon! Spreekt men meer vanuit de objectiviteit, stelt men zijn zinnen zo op, dat men de innerlijke, objectieve inhoud in het oog houdt, en niet zijn persoonlijke mening geeft, niet datgene geeft wat men het liefste heeft, dan zeggen ze dat men autoritair en aanmatigend spreekt. Natuurlijk is het de grootste aanmatiging als iemand in elke derde zin het woord ‘ik’ in de mond neemt. Maar de mensen hebben verleerd deze aanmatiging te voelen. Ze vinden het knapper als iemand altijd vanuit zichzelf spreekt, en ze vinden het hoogst onbescheiden en arrogant, als iemand probeert vanuit de objectiviteit te spreken. Ze hebben dan het duistere gevoel: hij beweert iets anders te weten dan wat zijn persoonlijke mening is. En het is vandaag de dag een grote zonde als iemand beweert iets anders te weten dan wat zijn persoonlijke mening is!

Bron: Rudolf Steiner – GA 190 – Vergangenheits- und Zukunftsimpulse im sozialen Geschehen – Dornach, 14 april 1919 (bladzijde 203-204)

Drie citaten over het leren van verschillende talen

Voor de ontwikkeling van het denken moeten we de talen leren spreken van de huidige cultuurvolkeren waarmee wij samenleven.

Bron: Rudolf Steiner – GA 192 (bladzijde 93)

Door het leren van verschillende talen wordt de mens universeler.

Bron: Rudolf Steiner – GA 306 (bladzijde 39)

Met het talenonderwijs doen we het in de vrijeschool zo dat we echt voor de kleinsten al twee niet-Duitse talen geven vanaf het tijdstip dat ze in de basisschool komen.  ( ) Het komt er in hoofdzaak op neer dat we hierdoor niet alleen hun blikveld verruimen, maar dat de rijkdom van het gevoelsleven door het geven van dit taalonderwijs wezenlijk vergroot wordt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 306 (bladzijde 169)

Deze drie citaten trof ik op de WordPress website van Pieter H. Witvliet.

VRIJE SCHOOL – PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE ACHTERGRONDEN

Ik vind het wel mooie en belangwekkende citaten omdat eruit blijkt dat het leren van verschillende talen nog voor iets anders goed is dan enkel het leren van talen.

Pedagogie – Lesstof – Geheugen – Vermogens

Het moet ons duidelijk zijn dat wij de lesstof hoofdzakelijk ertoe gebruiken om de wils-, gevoels- en denkvaardigheden van het kind te vormen, dat het ons er veel minder op aankomt wat het kind in zijn geheugen behoudt, dan dat het kind zijn geestelijk-psychische vermogens ontwikkelt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 295 – ERZIEHUNGSKUNST – Seminarbesprechungen und Lehrplanvorträge – Stuttgart, 23 augustus 1919 (bladzijde 38-39)