Genezende krachten/Ziekmakende krachten/Moraliteit

De kennis van genezende krachten is onlosmakelijk van de kennis van ziekmakende krachten, men kan niet het ene zonder het andere verkrijgen (Duits: vermitteln). Er kan niemand ter wereld de heilzame krachten leren kennen zonder de kennis te verkrijgen van de ziekmakende krachten. Daarom zult u inzien wat voor een rol het speelt en hoe ernstig het aankomt op de noodzakelijke morele gezindheid van de mensen. Want wie een mens geestelijk genezen kan, kan een mens ook geestelijk ziek maken, en wel in dezelfde graad. Daarom kunnen zulke waarheden van de goden vanzelfsprekend pas meegedeeld (Duits: übermittelt) worden, als een zodanige trap van moraliteit is bereikt, dat het geneesmiddel niet in vergif veranderd kan worden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 173 – Zeitgeschichtliche Betrachtungen – Das Karma der Unwahrhaftigkeit – Dornach 24 december 1916 (bladzijde 254-255)

Advertenties

Realistisch denken

Maken we ons in de fysieke wereld niet een gezindheid voor feitelijkheid eigen, dan zullen we die niet kunnen vinden voor de geestelijke wereld. Op de juiste manier zich kunnen inleven in de spirituele wereld moet hier in de fysieke wereld verworven worden. Daarom zijn we in de fysieke wereld, waar we de overeenstemming van de gedachten met de objectiviteit moeten zoeken, opdat we ons dit eigenmaken, zodat dit een gewoonte wordt, en we dit kunnen binnendragen in de geestelijke wereld. Hoeveel mensen doen echter tegenwoordig beweringen, waarbij het hen er helemaal niets aan gelegen is, of ze met de objectiviteit overeenstemmen, alleen vanuit de emoties. Dat beweegt zich juist in de tegengestelde richting van waarheen de wereld moet gaan, als de mensheid vooruitschrijden wil. En denken in overeenstemming met de werkelijkheid (Duits: wirklichkeitsgemäßes Denken) is juist in onze materialistische tijd onder de gekarakteriseerde invloed zo vreselijk verloren gegaan, realistisch denken is vandaag de dag zo zelden te vinden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 170 – Das Rätsel des Menschen – Dornach 13 augustus 1916 (bladzijde 236)

Op de feiten komt het aan

Het meeste van wat er tegenwoordig wordt gesproken, stemt niet overeen met de geconstateerde feiten, maar wordt vanuit allerlei meningen, allerlei hartstochten gesproken. Nu is het echter zo, dat alles wat we aan de uiterlijke, zintuiglijke omstandigheden bijdragen, en dat niet overeenkomt met de zuivere, pure feiten – als we deze in ideeën weergeven -, in ons het vermogen tot hoger inzicht vernietigt. […] Het meest elementaire voor het stijgen in hogere werelden is dit: dat men zich eerst de pure zin voor feiten in de zintuiglijke wereld eigenmaakt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 220 – Lebendiges Naturerkennen Intellektueller Sündenfall und spirituelle Sündenerhebung– Dornach 20 januari 1923 (bladzijde 128-129)

Twee duizend jaar christendom

Wij hebben het Christusmysterie op de Aziatische cultuur voor. Maar wat zeggen dan de Aziaten? Ik vertel nu niet iets bedachts, maar wat de Aziaten met inzicht werkelijk zeggen. Ze zeggen: ‘Mooi, jullie hebben het Christusmysterie op ons voor; dat is iets wat wij niet hebben, daardoor staan jullie naar jullie mening op een hoger niveau van cultuur. Maar nu zeggen jullie bijvoorbeeld ook: “Aan de vruchten zal men het herkennen.” Nu schrijft jullie religie voor, dat alle mensen elkaar moeten liefhebben, maar als wij naar uw leven kijken, dan is het daar niet naar. Jullie sturen missionarissen naar Azië, die vertellen ons allerlei grootse dingen; maar als wij naar Europa komen, dan leven de mensen helemaal niet zo, als het zou moeten zijn, als het allemaal waar is, wat daar verteld wordt!’ – Dat zeggen de Aziaten. Denk er eens over, of zij zo veel ongelijk hebben! Bij een religieus congres, waar vertegenwoordigers van alle religies spraken, werd dit specifieke onderwerp besproken, en daar antwoordden de Aziatische vertegenwoordigers hetzelfde, wat ik zojuist gezegd heb. Ze zeiden: ‘U stuurt ons missionarissen, dat is zeker allemaal heel mooi. Maar u hebt het christendom nu al twee duizend jaar; we kunnen niet merken, dat de morele ontwikkeling daardoor zo enorm boven de onze is uitgegaan!’

Bron: Rudolf Steiner – GA 169 – Weltwesen und Ichheit – Berlijn 18 juli 1916 (bladzijde 159)

Muzikaliteit

Er zijn mensen die op elke mens ingaan, die meeleven met wat de ander beleeft. Zij zijn over het algemeen ook zulke mensen, die met ieder dier meeleven kunnen, met elke kever, met elke mus, en die vrolijk kunnen worden met wat er gebeurt, en treurig kunnen worden met de anderen. Let er eens op, hoe vaak het voorkomt in het leven, vooral op een bepaalde leeftijd, dat een jong mens zich over van alles verheugt, snel hemelhoog juicht, snel ten dode bedroefd is, dat de ander echter zegt: Wat ben je nu voor een domme siepel, dat is toch allemaal hetzelfde! – Deze twee soorten mensen zijn er. Natuurlijk zijn de beide eigenschappen in meerdere of mindere mate ontwikkeld, hoeven helemaal niet zo sterk naar voren te komen, maar ze kunnen er toch zeer goed zijn. Nu probeert de geestelijke onderzoeker  op zijn manier over de wereld na te denken en komt dan tot het volgende: Muzikale mensen zijn degenen die in een vorig leven gemakkelijk de overgang vonden van vrolijkheid naar treurigheid, van treurigheid naar vrolijkheid, die met alles meegaan konden. Dat verplaatst zich in het innerlijk, en daardoor ontstaat in het innerlijk het ritmische overgangsvermogen, dat de muzikale ziel geeft. Daarentegen worden mensen, die in een vroeger leven aan de uiterlijke gebeurtenissen stompzinnig voorbijgegaan zijn, niet muzikaal.

Bron: Rudolf Steiner – GA 169 – Weltwesen und Ichheit – Berlijn 18 juli 1916 (bladzijde 154-155)