Het is de inspanning die telt (2-slot)

Zelfs in het geval dat alles fout zou zijn wat we zo opgenomen hebben, en we ons alleen ingespannen hebben, dan hebben we daardoor onze zielenogen ontwikkeld en hebben nu de mogelijkheid te zien, wat er in de geestelijke wereld aanwezig is. Nu liggen de dingen zo, dat wat de verschillende religieuze leraren hebben meegedeeld niet totaal fout is, maar er is vanuit verschillende standpunten de waarheid over de bovenzinnelijke wereld weergegeven en het is slechts schijnbaar elkaar tegensprekend. Men moet het ene door het andere aanvullen. Maar het wezenlijke dat alle religieuze stelsels gemeenschappelijk hebben, dat is dat al deze religies de menselijk ideeën brengen, door welke de ziel zich sterk maakt om in de geestelijke wereld te treden, dat de ziel wordt gewekt in haar geestelijke ondergronden. Wat dan de afzonderlijke religieuze leraren de zielen geven, dat geven ze in overeenstemming met de mogelijkheden van de zielen, naar gelang, ik zou willen zeggen, de voorwaarden van de individuele mensenrassen, naar de klimatologische omstandigheden en de overige verhoudingen van het land en de tijd, waarin ze moeten optreden. Maar allen hebben ze gemeen, dat ze de zielen van de mensen sterk en krachtig maken, men kan ook zeggen, innerlijk lichtend maken, zodat de zielen niet alleen in de fysieke wereld werkelijk zijn, maar ook in de geestelijke wereld werkelijk kunnen zijn. Sterk maken van de zielen is het, wat als universele waarheid naar de gegeven mogelijkheden in alle religieuze systemen gegeven wordt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 157 – Menschenschicksale und Völkerschicksale – Berlijn 26 januari 1915 (bladzijde 124-125)

Het is de inspanning die telt (1)

Mensen komen er heel gemakkelijk toe om te zeggen: Als ik mij over de bovenzinnelijke werelden laat vertellen, hoe kan ik dan weten dat al deze ideeën werkelijk juist zijn? Want laten we eens aannemen, iemand verspreidt ideeën over de bovenzinnelijke wereld, deze ideeën zouden door een aantal mensen aangenomen worden – en ze zouden onjuist of eenzijdig zijn, of ze zouden niet in dezelfde zin overeenkomen met het juiste, zoals men van juist spreekt, als het de uiterlijke fysieke wereld betreft. Veronderstel dus, deze ideeën zouden foutief zijn, en een aantal mensen zou ze hebben aanvaard. In een dergelijk geval zou het altijd nog beter zijn, dat de mensen deze onjuiste ideeën zouden hebben aanvaard, dan dat ze helemaal geen voorstellingen over de bovenzinnelijke wereld zouden hebben opgenomen. En waarom? Het is beter om de reden, dat onze ziel zich moet inspannen als ze voorstellingen over de bovenzinnelijke wereld opneemt. Of men juist of onjuiste voorstellingen opneemt, men moet zich inspannen, en deze inspanning telt in de geestelijke wereld, als wij door de poort van de dood gaan. Deze inspanning is het die ons na de dood ten goede komt, of die ons überhaupt ten goede komt als wij de geestelijke wereld binnengaan. Want aangenomen dat we ons met een heel verkeerde beschouwing over de geestelijke wereld zouden hebben doordrongen, dan hebben we toch doordat we het in ons opgenomen hebben, onze zielenkrachten ontplooid, zoals een turner zijn ledematen traint. En wat we ontwikkeld hebben, dat hebben we dan, dat dragen wij de geestelijke wereld in. Doordat we dat binnendragen in de geestelijke wereld, hebben we daar iets soortgelijks, wat we hier hebben doordat we ogen hebben. We zijn dan niet meer blind in de geestelijke wereld.

Bron: Rudolf Steiner – GA 157 – Menschenschicksale und Völkerschicksale – Berlijn 26 januari 1915 (bladzijde 124)

Wordt vervolgd

Over willen en niet willen en het onderdrukken van wensen

Met name datgene wat we zouden kunnen aanduiden met het woord wilscultuur is van groot belang.

We hebben immers al naar voren gebracht dat nervositeit juist vaak tot uitdrukking komt in het feit dat de mensen tegenwoordig vaak niet goed weten hoe ze er toe moeten komen om dat te doen wat ze nu eigenlijk werkelijk willen of zouden moeten willen. Ze schrikken ervoor terug om te doen wat ze zich voorgenomen hebben, ze komen tot niets, enz., enz. […]

Nu is er een eenvoudig middel om de wil te sterken voor het uiterlijke leven en dat middel is: wensen, die ongetwijfeld aanwezig zijn, te onderdrukken, ze niet ten uitvoer te brengen wanneer men daarvan geen nadeel ondervindt. Wanneer men dit aan de praktijk toetst, zal men zien dat er van de vroege ochtend tot de late avond talloze wensen in de mens opkomen, waarvan het wel prettig zou zijn als ze inderdaad in vervulling zouden gaan. Men zal echter ook merken dat er even zovele wensen zijn, die men niet in vervulling hoeft te laten gaan, dat niemand daaronder lijdt en dat men dan ook zijn plichten niet hoeft te verzaken: wensen waarvan het wel plezierig is als ze vervuld worden, maar die evengoed onvervuld kunnen blijven. Men moet er steeds op uit zijn om onder al die wensen diegenen te vinden waarvan men kan zeggen: ‘Nee, deze wens hoeft niet in vervulling te gaan.’ (We moeten de zaak niet verkeerd aanpakken –het gaat hier om wensen waarvan de verwerkelijking alleen maar behaaglijkheid, plezier, genot opleveren en waarbij men geen schade ondervindt wanneer ze onvervuld blijven).

Wanneer men een bepaalde soort van wensen op een dergelijke wijze stelselmatig onderdrukt, dan werkt dat stimulerend in op de wilskracht. […] En wanneer wij ons in ons latere leven aan een dergelijke procedure onderwerpen, zullen wij wat dit betreft veel kunnen inhalen van wat tegenwoordig in de opvoeding verwaarloosd wordt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 143 – Erfahrungen des Übersinnlichen/Die drei Wege der Seele zu Christus – München 11 januari 1912 (bladzijde 21-22)

Vertaling: Margreet Meijer-Kouwe – door mij overgenomen uit het boekje Nervositeit-Wijsheid-Liefde (bladzijde 28-29) – Uitgeverij Vrij Geestesleven 1976

De wonderbaarlijkste machines zullen door de mensen uitgevonden worden

Nu is de mensheid nog slechts begonnen om natuurkrachten aan zich dienstbaar te maken. Dit zal al in de nabije toekomst en in de komende eeuwen heel anders worden. De mensen zullen de krachten aan stromend water onttrekken en dienstbaar maken, ze zullen de machtige krachten die in de zonnestralen liggen in immense spiegels opvangen en leren te gebruiken; ze zullen de krachten binnen in de aarde, die nu door vulkaanuitbarstingen ontketend worden en die ontstaan door een machtig geestwezen in het inwendige van de aarde, leren beheersen; de wonderbaarlijkste machines zullen door de mensen uitgevonden worden, om al deze opgewekte krachten in dienst van de mensheid te stellen, ja ze zullen de magneetkracht van de gehele aarde onder controle krijgen. […] Toen in zeer oude tijden de veranderingen van de aarde noodzakelijk waren, hebben de krachten der goden de as van de aarde schuin geplaatst; in komende tijden zal de mensheid in staat zijn de aardas te draaien.

Bron: Rudolf Steiner – GA 264 – Zur Geschichte und aus den Inhalten der ersten Abteilung der Esoterischen Schule 1904 – 1914 (bladzijde 210-211)