Het gedachtenleven van de mens behoort in wezen tot de geestelijke wereld

Gedurende de tijd dat de geest arbeidt met behulp van het stoffelijk lichaam kan hij als geest niet in zijn ware gedaante leven. Hij kan als het ware slechts door de sluier van het fysieke bestaan heen zijn licht doen schijnen. Het gedachtenleven van de mens behoort namelijk in wezen tot de geestelijke wereld, en in de vorm waarin het zich op aarde manifesteert, is zijn ware gedaante versluierd. Men kan het ook zo stellen dat het denkleven van de fysieke mens een schaduwbeeld, een weerschijn is van het ware geesteswezen waartoe het behoort.

Bron: Rudolf Steiner –Theosofie in de vertaling van H.G.J. de Leeuw (bladzijde 122) – GA 9 (bladzijde 58-59)