Christendom

Het christendom is een beschouwing die in alles een openbaring van het goddelijke ziet. In al het stoffelijke hebben wij een illusie, als we het niet als een uitdrukking van het goddelijke zien. Verloochenen we de buitenwereld, dan verloochenen we het goddelijke; negeren we de materie, waarin God zich geopenbaard heeft, dan negeren we God.

Bron: Rudolf Steiner – GA 095 – Stuttgart 4 september 1906 (bladzijde 139) Overgenomen uit het Lexicon van Urs Schwendener http://www.anthrolexus.de/

 

 

Christusimpuls

Als de mens zegt: Nu ja, ik kan ziek zijn, ik kan zwak zijn, ik kan sterven, maar van mijn ik uit kan ik mij sterker maken, kan ik iets in mijn organisme toevoeren wat mij sterkte, wat mij kracht geeft rechtstreeks uit de geestelijke werelden. – Hoe hij het noemt, is om het even. Als de mens tot dit gevoel komt, dan is hij door de Christusimpuls gegrepen. Niet degene die zegt dat hij iets kan ontvangen van een leraar die is gegaan van incarnatie to incarnatie, maar degene die voelt dat rechtstreeks uit de geestelijke wereld impulsen van kracht en sterkte kunnen komen, die is door de Christusimpuls gegrepen. Deze innerlijke ervaring kunnen de mensen maken, zonder deze zullen de mensen in de toekomst niet kunnen leven.

Bron: Rudolf Steiner – GA 143 – Stockholm 16 april 1912 (bladzijde 129-130) (Overgenomen uit het onvolprezen Lexicon van Urs Schwendener http://www.anthrolexus.de/ )

Praktische werkelijkheid is de beste spirituele voorbereiding (1)

Ik heb in mijn boek “Vom Menschenrätsel” erop gewezen dat men zeggen kan: Zoals de mens uit zijn slaap, waarin hij slechts een zeer dof bewustzijn heeft, ontwaakt tot het gewone waakbewustzijn, zo kan hij ontwaken uit dit gewone bewustzijn, waarin hij zich in het leven gewoonlijk bevindt, tot het geestelijk waarnemen. Het is een ontwaken in een bovenzinnelijke wereld, dat men zich verwerft door de geesteswetenschappelijke methode. Maar zoals het normale dagelijkse leven nooit gezond kan zijn, als men niet regelt dat de slaap gezond is, zo kan de entree in de geestelijke wereld niet gezond zijn, als men niet eerst een gezond, op de bodem van echte werkelijkheid en praktische levenswijsheid staand gewoon leven kan ontwikkelen; als men zich niet eerst discipline heeft geleerd, zodat men in het uiterlijke leven een mens is die tegen de werkelijkheid is opgewassen.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 072 – Bazel 19 oktober 1917 (bladzijde 78-79)

De ware geest is de praktische geest

Wanneer heeft men het recht om over de geest te spreken? Wanneer spreekt men in waarheid over de geest? Alleen dan, wanneer men de geest ziet als schepper van de materie. Men spreekt op de verwerpelijkste wijze over de geest – hoewel dat tegenwoordig vaak als de mooiste weergave wordt gezien – als men hem in een droomwereld plaatst en er zo over spreekt, dat de geest in het geheel niet wordt aangeraakt door de materie. Nee, men moet zo over de geest spreken, dat deze de kracht heeft op directe wijze onder te duiken in de materie. En als men over geesteswetenschap spreekt dan mag men zich niet indenken, dat deze zich boven de natuur verheft, maar men moet haar tegelijkertijd als een volwaardige natuurwetenschap zien.

Als men over de geest spreekt dan moet men het over de geest hebben, waarmee de mens zich kan verbinden, zodat deze ook door middel van de mens in het sociale leven kan werken. Een geest waarover men alleen maar in de salon spreekt, die men door goed te zijn en door broederliefde te bewijzen welgevallig wil zijn, maar die er wel voor oppast om in het directe leven onder te duiken, is niet de ware geest. Men heeft dan te maken met een menselijke abstractie en men verheft zich niet tot de werkelijke geest, maar tot het laatste uitvloeisel van het materialisme.

Bron: Rudolf Steiner – Michaël – GA194 – Dornach, 12 december 1919 (bladzijde 160-161)

Rudolf Steiner – Weet u wel hoeveel bierbrouwerijen er met uw geld worden opgericht en in stand gehouden?

Wat voor verband bestaat er eigenlijk tussen deze toespraken in meer of minder mooie kamers, waarin verteld wordt hoe goed de mens is en hoe men alle mensen liefheeft zonder onderscheid van ras, volk en huidskleur en datgene wat in de buitenwereld gebeurt en waaraan wij meehelpen, wanneer we ons de rente laten uitbetalen van het geld, waarmee de banken voor de levenspraktijk zorgen en waar heel andere principes heersen dan die waarvan we als goede mensen in onze kamers spraken? We richten bijvoorbeeld theosofische genootschappen op waarin we tot alle mensen in de eerste plaats over broederschap spreken, maar in onze woorden schuilt niet de minste stuwkracht om ook maar enigszins datgene te beïnvloeden, waaraan ook wij meewerken, als we onze rente laten uitbetalen. Want terwijl wij dit laatste doen, zetten we een hele reeks economische zaken in beweging. Ons leven valt uiteen in deze twee van elkaar gescheiden gebieden.

Zo kon het bijvoorbeeld voorkomen – het gaat hier niet om een theoretisch voorbeeld, maar om een voorval uit het leven – dat een dame mij opzocht en zei: Denkt u zich eens in, er komt iemand bij me die geld van me verlangt dat gebruikt zal worden om mensen te steunen, die alcohol drinken. Dat kan ik als theosofe toch niet doen! – Dat zei die dame tegen mij. Ik kon alleen maar antwoorden: U leeft immers van de rente van uw geld. Weet u wel, hoeveel bierbrouwerijen er met uw geld worden opgericht en in stand gehouden? – Het gaat er niet om, dat we aan de ene kant toespraken houden om ons te verlustigen in een zielebevrediging, terwijl we aan de andere kant verder leven in een routine, zoals het leven van de laatste drie à vier eeuwen dit van ons eist. Weinig mensen willen zich ook bemoeien met dit fundamentele vraagstuk van onze huidige tijd.

Bron: Michaël – GA194 – Dornach, 12 december 1919 (bladzijde 159-160)