Waarom moet ik dat leren, wat hij niet weet?

Het is mij altijd een gruwel geweest als een leraar voor een klas staat, het boek in de hand heeft en uit het boek onderwijs geeft of als hij een schrift heeft, waarin hij genoteerd heeft wat hij vragen wil, en steeds hierin kijken moet. Zeker, het kind denkt niet meteen daaraan met zijn gewone bewustzijn; maar de kinderen zijn pienter in hun onderbewustzijn en men ziet, als men er oog voor heeft, dat zij in zichzelf zeggen: ‘Die weet het helemaal niet wat ik leren moet. Waarom moet ik dat leren, wat hij niet weet?’ Dat is altijd het oordeel in het onderbewustzijn bij kinderen, die uit een boek of schrift door een leraar worden onderwezen.

Men moet op zulke niet meetbare factoren, op zulke details in het onderwijs bijzonder veel acht slaan. Want zodra het onderbewustzijn van het kind merkt, de onderwijzer weet het zelf niet, hij moet eerst in zijn schrift kijken, dan vindt het kind het onnodig om het zelf te leren.

Bron: Rudolf Steiner – GA 311 – Dornach, 14 augustus 1924 (bladzijde 60,61)

Ogen en oren van de ziel

Alle religiegrondleggers waren voltooide (Duits: vollendete, wie een betere vertaling weet voor dit woord moet het zeggen) helderzienden en geestelijke mensheidleiders, en hun morele beginselen werden tot levensregels, die door astrale en geestelijke waarheden bepaald waren. Daaruit worden de overeenkomsten van alle religies verklaarbaar. Zulk een overeenkomst bestaat bijvoorbeeld tussen het achtvoudige pad van Boeddha en de acht zaligpredikingen van Christus. Aan beide ligt namelijk de waarheid ten grondslag dat de mens elke keer, wanneer hij een deugd ontwikkelt, ook een nieuw waarnemingsvermogen ontwikkelt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 094 – Parijs, 6 juni 1906 (bladzijde 67-68)

Vraagteken

Men maakt dikwijls met betrekking tot reïncarnatie de volgende tegenwerping: Als de mens zijn opgave op aarde vervuld heeft, dan kent hij die; waarom moet hij dan weer opnieuw komen? – De tegenwerping zou juist zijn, als de mens op dezelfde aarde zou terugkomen. Maar omdat hij in de regel pas in de loop van circa 1000 jaar terugkomt, vindt hij een nieuwe natuur, een nieuwe aarde en mensheid, want zij hebben zich ontwikkeld, en zo kan hij iedere keer iets nieuws leren en een nieuwe opdracht vervullen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 094 – Parijs, 17 juni 1906 (bladzijde 76)

Dit is weer zo’n punt in het werk van Steiner, dat ik nooit goed begrepen heb. Het is natuurlijk waar dat de hele wereld in 1000 jaar totaal verandert en dat men daardoor ook andere dingen kan leren en meemaken. Maar om nieuwe dingen te leren is het toch helemaal niet nodig dat de aarde veranderd is. Er zijn immers talloze verschillende mogelijkheden om iets nieuws te leren. Stel dat men meteen na de dood zou worden wedergeboren, dan zou men toch ook talloze andere ervaringen kunnen hebben? Steiner doet het hier voorkomen of de hele aarde eerst veranderd moet zijn voordat men weer iets nieuws kan leren. Alleen al doordat men bijvoorbeeld andere talenten heeft of een ander beroep of andere hobby’s, of in een ander werelddeel wordt geboren, of in rijkdom of in armoede wordt geboren, alleen daardoor al heeft men heel verschillende ervaringen en daarbij hoeft men niet eerst honderden of duizend jaar verder te zijn, zodat de wereld veranderd is.