Rudolf Steiner over Maurice Maeterlinck

Kort geleden is een boek verschenen dat ik zeer zeker ter lezing zou willen aanbevelen, omdat het afkomstig is van een zeer geestrijk man en het bewijs kan leveren wat voor onzin geestrijke mensen ten aanzien van geestelijke dingen kunnen uitspreken. Ik bedoel het boek van Maurice Maeterlinck Over de dood. Onder velerlei dwaasheden, die er instaan, is ook de bewering dat, wanneer de mens eenmaal is gestorven, hij niet meer kan lijden, omdat hij dan een geest is en geen fysiek lichaam meer heeft. Een geest echter zou niet kunnen lijden. Het zou alleen het lichaam zijn dat lijdt. De geestrijke man Maeterlinck vleit zich dus met de illusie dat alleen het fysieke lijden kan en derhalve een dode niet kan lijden. Hij merkt in het geheel niet wat voor een fenomenale, bijna ongelooflijke dwaasheid erin ligt te beweren dat het fysieke lichaam, dat uit fysieke krachten en chemische stoffen bestaat, alleen lijdt. Alsof lijden gebonden zou zijn aan fysieke stoffen en krachten! Stoffen en krachten lijden in het geheel niet. Als dit wel mogelijk was, zou ook een steen kunnen lijden. Het fysieke lichaam kan niet lijden; wat lijdt is toch juist de geest, het ziele-element. Het is tegenwoordig zo ver gekomen dat de mensen over de eenvoudigste dingen het tegenovergestelde denken van wat zin heeft.

Bron: GA 148 – Oslo 3 oktober 1913

Maurice Maeterlinck (Gent, 29 augustus 1862 – Nice, 6 mei 1949)

De Eeuwige Jachtvelden

Zo zien we dat in het devachan (toestand tussen aardse levens, godenland, hemelwereld, De Eeuwige Jachtvelden. R.v.D.) het leven zijn onbevredigende karakter in werkelijkheid geheel verliest. Juist ook zonder de egoïstische, aardse maatstaven van de mens kan hij het leven daar toch ervaren als iets dat hem vervult met een gevoel van oneindig geluk. Daar komt nog bij dat het bevrijd zijn van het fysieke lichaam, van de lagere wezensdelen waarin de mens hier op aarde als het ware gevangen zit, al een gevoel geeft van groot geluk. Alleen al dat deze aardse grenzen doorbroken zijn, dat je niet meer aan je fysieke lichaam bent gekluisterd, is een voortdurende bron van vreugde. Het devachan is daardoor een tijd  waarin de mens zich zo veelzijdig, zo vrij en onbekommerd in alle richtingen kan ontplooien als hij hier op aarde nog nooit heeft meegemaakt.

Bron: Rudolf Steiner – De theosofie van de Rozenkruisers – München 29 mei 1907

Rudolf Steiner – Onzelfzuchtigheid/Egoïsme

Ligt in deze uitspraak dat men zijn krachten niet in dienst mag stellen van het persoonlijk egoïsme, op een bepaalde manier niet een onmogelijke eis voor de mens van deze tijd? Deze vraag moeten wij allereerst beantwoorden. Natuurlijk stellen diegenen die dat zeggen als eerste gebod op: gij moogt niet egoïstisch zijn! – Vanzelfsprekend, dat is een hoogste gebod. Maar voor wie met de werkelijkheid denkt, komt het er niet op aan dat zulke geboden opgesteld worden, maar of dergelijke geboden wel kunnen nageleefd worden. En wie gelooft dat het gebod om niet egoïstisch te zijn, door de mens van deze tijd zo zonder meer kan nageleefd worden, die geeft zich aan een grote illusie over. Diegene die het als zijn plicht beschouwt om illusies te ontmaskeren, die moet ook de illusie teniet doen dat een dergelijk gebod gemakkelijk zou kunnen worden nageleefd. Misschien treedt daar ergens een mens naar voren en zegt: ik wil in de wereld actief zijn op een totaal onzelfzuchtige wijze!

Als nu iemand zegt dat hij op een onzelfzuchtige manier in de wereld wil actief zijn, dan is dat een zeer, zeer mooi ideaal. Maar als we dan wat verder vragen: waarom wil je zo onzelfzuchtig zijn, waarom leg je jezelf dit gebod op? -dan hoort men merkwaardige antwoorden, bijvoorbeeld: door onzelfzuchtig te zijn kom ik langzamerhand tot een hoger niveau van volkomenheid; ik kan niet verdragen een waardeloze mens te zijn; ik wil een mens zijn die van betekenis is voor de wereld. – Als men dit gevoel zou analyseren, dan zou men erachter komen dat achter het motief om onzelfzuchtig te zijn dikwijls het ongelooflijkste egoïsme steekt, dikwijls een veel groter egoïsme dan hetgeen men aantreft bij mensen die helemaal niet onzelfzuchtig willen zijn, maar die eenvoudigweg hun zelfzuchtige instincten volgen. Volgt u de gedachtegang maar, u zult zien hoeveel zelfzucht er in de drang naar onzelfzuchtigheid steekt.

Bron: GA 101 – Berlijn 21 oktober 1907

Oh may the light of freedom shine
For all the world to see
And peace and joy to all mankind
Through all the years to be 

For soon the leaves will die
And the long hard wind will blow
May this world find a resting place 
Where peaceful waters flow

Rudolf Steiner – Het vreselijke euvel van onze tijd, het tobben over onszelf…

Blikt men terug op datgene, wat men in de kinderjaren, jeugd enz. heeft beleefd, al naar de leeftijd die men heeft bereikt, dan duiken verscheidene mensen op als uit een grijze geestesdiepte, die in de meest verschillende situaties aan ons leven hebben deelgenomen.

Blikt u terug in het verloop van uw leven en kijkt u minder naar datgene, wat u aan uw eigen dierbare persoon interesseert, kijkt u veel meer naar die gestalten, die u nader getreden zijn, u opvoedend, met u vriendschap sluitende, u vooruithelpende, misschien u ook benadelend, dikwijls op zeer nuttige wijze benadelend.

Wij zullen dikwijls zien, dat datgene, wat ons in een bepaald tijdperk antipathiek heeft aangedaan, indien slechts voldoende tijd sindsdien is verlopen, ons niet meer zo antipathiek aandoet, omdat wij een innerlijke samenhang zien. Dat wij ook eens met deze of gene mens op antipathieke wijze in contact moesten komen, kon ons wellicht zeer nuttig zijn. Wij winnen dikwijls meer door datgene, wat een mens ons aandoet als door datgene, waarin  een mens ons aanmoedigt en steunt. Het zou de mens veel baten, wanneer hij een dergelijke onzelfzuchtige terugblik op het leven meermalen hield, wanneer hij het leven zou doordrenken met de uit deze terugblik opwellende overtuiging: heb ik eigenlijk reden om mij met mijzelf bezig te houden? Hoe oneindig veel rijker wordt mijn leven, wanneer ik de blik laat dolen over deze en gene gestalten, die in mijn leven zijn binnengetreden. Dan maken wij ons enigermate los van onszelf, wanneer wij een dergelijke onzelfzuchtige terugblik houden. Dan geraken wij het vreselijke euvel van onze tijd, het tobben over onszelf, kwijt. En dat is zo uitermate nodig, dat wij van het tobben over onszelf afkomen. Wie slechts eenmaal gepakt is door de zelfbeschouwing, zoals ik die zojuist heb geschetst, die vindt zichzelf veel te oninteressant dan dat hij over zijn eigen leven al te veel zou willen tobben.

Bron: GA 186 – Dornach 7 december 1918

P.S. Af en toe plaats ik muziekvideo’s bij mijn blogs. Deze hebben echter meestal geen samenhang met de teksten. Het dient alleen ter variatie en vermaak en om de blogs niet te eenzijdig te maken.