Rudolf Steiner over vegetarisme

Zo lang de mens nog begeerte naar vlees heeft, is vegetarisme van geen nut voor hem; maar pas dan heeft het zin, wanneer hij op het volgende standpunt staat, wat ik door een kleine vertelling duidelijk maken wil.

Enige tijd geleden werd iemand gevraagd: ‘Waarom eet u eigenlijk geen vlees?’ Daarop zei hij: ‘Ik wil u met een tegenvraag lastigvallen: Waarom eet u geen hondenvlees of kattenvlees?’

‘Dat kan men toch niet eten!’, was het antwoord.

‘Waarom dan niet?’

‘Nu, omdat ik daar een afkeer van heb.’

‘Goed, evenzo heb ik een afkeer van alle vlees.’

Om deze stemming gaat het. Als het genot aan vleeskost opgehouden is, dan is er pas de stemming, waarmee de onthouding van vleesvoeding met betrekking tot geestelijke ontwikkeling van nut is. Voordien kan het afzien van vlees slechts een hulpmiddel zijn om de begeerte naar vlees af te wennen. Maar als men zich de begeerte naar vlees niet afwennen kan, dan is het misschien beter om weer te beginnen met vlees; want het voortdurend zich kwellen daarmee is volstrekt niet de juiste weg, om door te dringen in het begrip voor geesteswetenschap.

Bron: GA 58 – Die Askese und die Krankheit – Berlijn, 11 november 1909

 

Maarten ’t Hart – Zeer herelijke dingen

Mensje van Keulen schreef eens dat zij hoeren zag staan onder het viaduct van de Landscheidingsweg. Helaas, hoe vaak ik ook het viaduct ben doorgereden, nog nooit heb ik daar ook maar één snol gezien. Zelfs geen snolletje. Spijtig. Het zou mij wel leuk lijken om daar door een deerne in lokkend postuur in de aanpalende bosjes getrokken te worden voor de ‘zeer herelijke dingen’ waar het palmvers over spreekt. Maar meer dan een paar grijpstuivers zou ik er niet voor over hebben.

Bron: Maarten ’t Hart – Een deerne in lokkend postuur – Persoonlijke kroniek 1999

Rudolf Steiner – Slecht gebouwde bruggen storten in, sociale knoeierij doet mensen instorten

Onlangs is een buitengewoon interessant boek verschenen: Als Arbeiter in Amerika. De schrijver van het boek is ‘Regierungsrat’ Kolb, een hoofdcommies aan een ministerie. Deze durfde het aan om maandenlang als een gewoon arbeider in Amerika door te brengen. En daar heeft hij zich een oordeel over mensen en leven gevormd, dat er klaarblijkelijk heel anders uitziet dan hij zich eigen maakte in de jaren van zijn opleiding en tijdens zijn carrière voor hij hoofdcommies werd. Hij bekleedde jarenlang een betrekkelijk verantwoordelijke positie, en pas als hij deze heeft opgegeven en –korte tijd- in een ver land heeft geleefd, leert hij het leven zó kennen dat hij in zijn boek de volgende behartenswaardige zin schrijft: ‘Hoe vaak heb ik mij vroeger, wanneer ik een gezonde man zag bedelen, niet met morele verontwaardiging afgevraagd: Waarom werkt die schooier niet? Nu wist ik het. In theorie zien de dingen er wel even anders uit dan in de praktijk. En zelfs de onmogelijkste economische begrippen kan men van achter een bureau best hanteren.’ Nu moet hierdoor niet het geringste misverstand worden opgeroepen. De grootst mogelijke waardering verdient deze man, die werkelijk een zelfoverwinning behaalde door uit zijn behaaglijke levenssituatie te stappen, om zwaar werk in een brouwerij en een fietsenfabriek te verrichten. De grote waardering voor deze daad moet allereerst sterk benadrukt worden, opdat men niet zou kunnen denken dat de man nu aan een afbrekende kritiek zal worden onderworpen.

Maar voor iedereen die het wil zien, is zonder meer duidelijk dat alle vorming, alle wetenschap die deze man ondergaan heeft, hem geen goed oordeel over het leven hebben gegeven. Men probere het zich eens goed te realiseren, wát daarmee wordt erkend: Men kan alles leren waardoor men tegenwoordig in staat wordt gesteld om een betrekkelijk leidende positie in te nemen, en daarbij toch heel ver van het leven af staan; datzelfde leven waarop men geacht wordt invloed uit te oefenen.

Is dat niet net zoiets als wanneer men op een school zou worden opgeleid om bruggen te bouwen, en men er dan niets van blijkt te kunnen wanneer men voor de opgave staat om echt een brug te bouwen?! Maar néé, deze vergelijking gaat toch niet helemaal op: het zal namelijk vlug genoeg blijken wanneer iemand incompetent is bij het bouwen van een brug. Hij zal zich ontpoppen als een knoeier die wordt afgewezen. Wanneer echter iemand slecht is voorbereid om in het sociale leven te werken, dan zullen zijn gebreken niet zo snel aan het licht treden. Slecht gebouwde bruggen storten in, en zelfs voor de meest bevooroordeelde persoon is het dan duidelijk dat de constructeur van de brug een knoeier is. Wat echter in het sociale leven wordt verknoeid, blijkt alleen uit het feit dat de medemensen daaronder lijden. En de samenhang tussen dit lijden en knoeierij ziet men niet zo gemakkelijk als de samenhang tussen het instorten van een brug en een incompetente constructeur.

Bron: Antroposofie en het sociale vraagstuk, drie artikelen uit 1905 – GA 34

Rudolf Steiner – Van geld kan niemand leven

Hoeveel mensen bestaan er tegenwoordig die een geheel abstracte verwarde voorstelling van het leven, van hun persoonlijke leven hebben. Hoe leef ik? Dan zeggen ze tot zichzelf: “Nu, van mijn geld.” Onder hen zijn velen die dit geld van hun ouders geërfd hebben en nu geloven dat zij daarvan leven. Maar van geld kan men niet leven. Daar moet eerst eens begonnen worden met nadenken. En deze vraag hangt innig samen met de werkelijke interesse die men van mens tot mens heeft. Wie gelooft, dat hij leeft van het geld, dat hij geërfd heeft bijvoorbeeld of dat hij op de een of andere wijze heeft verworven (behoudens zoals tegenwoordig het geval is, dat men geld krijgt uit arbeid), wie zo leeft en gelooft, dat hij van geld kan leven, die heeft geen belangstelling voor zijn medemensen, omdat van geld niemand kan leven. De mens moet eten en wat gegeten wordt, dat moet door deze en gene mensen door arbeid opgeleverd worden. De mens moet zich kleden. Datgene wat hij aantrekt, moeten mensen maken. Opdat ik een jas kan aantrekken of een pantalon, moeten mensen urenlang hun arbeidskracht geven om dat tot stand te brengen. Die werken voor mij. Daarvan leef ik en niet van mijn geld.

Mijn geld heeft geen andere waarde dan dat het mij de macht geeft de arbeid van anderen te benutten. En zoals de sociale verhoudingen tegenwoordig liggen begint men eerst interesse voor zijn medemensen te krijgen, wanneer men de vraag voor zich op behoorlijke wijze beantwoordt. Wanneer men in de geest voor zich ziet: zoveel mensen moeten zoveel uren werken, opdat ik in de sociale structuur kan leven. Het gaat niet daarom, dat men zich op de borst slaat, terwijl men zegt: ik heb de mensen lief. Men houdt niet van mensen wanneer men gelooft, dat men van zijn geld leeft en zich niet in het minst kan voorstellen hoe de mensen voor iemand werken voordat men nog slechts het levensminimum krijgt.

Bron: GA 186 – Dornach 30 november 1918