Prentice Mulford – Thoughts are things

If you can’t control your mind
Don’t try
Instead work on this:
Ask the higher power to change your mind for you
All you need to do is to have faith in the higher power
And if you can’t muster faith in the higher power
Then ask the higher power to help you with that too

Als je gedachten niet onder controle kunt houden
Probeer het niet
Werk in plaats daarvan aan dit:
Vraag de hogere macht om je gedachten te veranderen voor jou
Alles wat je hebt te doen is vertrouwen hebben in de hogere macht
En als je geen vertrouwen kunt verzamelen in de hogere machten
Vraag dan de hogere machten je ook daarmee te helpen

Bron: onderstaande video op Youtube

Vergelijk deze tekst van Prentice Mulford eens met onderstaande tekst van Rudolf Steiner. De woorden zijn verschillend, maar de inhoud vertoont een grote overeenkomst.

Het zijn niet alleen de dingen die we leren,
de inzichten,
het zijn de wezens uit de hogere hiërarchieën zelf,
die ons helpen als wij weet van hen hebben.

Bron: Rudolf Steiner – Eenzaamheid en vervreemding – GA 168 – Zürich 10 oktober 1916

Rudolf Steiner – Iedere gedachte, ieder gevoel is een realiteit.

Iedere gedachte, ieder gevoel is een realiteit, en wanneer ik denk dat iemand een slecht mens is of ik bemin hem niet, dan is dat voor wie in de astrale wereld kan schouwen, als een pijl, als een bliksem die zich als een geweerkogel naar de ander beweegt en hem beschadigt. Ieder gevoel, iedere gedachte is een wezen, een vorm in de astrale wereld en voor wie in deze wereld kan kijken is het dikwijls veel erger om te zien hoe iemand een slechte gedachte over een ander koestert dan wanneer iemand die ander fysiek schaadt.

Bron: mij onbekend – waarschijnlijk GA 99

 

Rudolf Steiner over opvoeding

Ongetwijfeld kan een opvoedkunst, die op een reële mensenkennis gegrondvest is, zoals hier beschreven, zich slechts langzaam baanbreken. Dat vindt zijn oorzaak in de opvattingen van onze tijd, die nog lang de feiten van de geestelijke wereld zal aanzien voor uitvloeisels van een volslagen fantasterij, terwijl de huidige wereld redenaties van een vage algemeenheid, die door en door irreëel zijn voor het resultaat van een realistische denkwijze houdt. Onomwonden zal hier datgene uitgesproken worden, wat door vele mensen nu nog wordt aangezien voor een verdichtsel, maar wat in de toekomst als onloochenbare waarheid zal gelden.

Bij de fysieke geboorte wordt het stoffelijk lichaam van de mens aan de buitenwereld blootgesteld, terwijl het tevoren omgeven was door het beschuttende hulsel van het moederlichaam. Wat in die vroegere toestand de krachten en voedingssappen van het moederlichaam bewerkstelligen, dat moet thans door de krachten en elementen van de fysieke buitenwereld aan de mens verricht worden. Tot aan het wisselen der tanden, omtrent het zevende jaar, heeft het menselijk lichaam een taak aan zichzelf te verrichten, die wezenlijk verschilt van alle taken, welke in andere levensfasen volbracht moeten worden. De fysieke organen moeten in deze tijd bepaalde vormen aannemen, hun structuur moet gericht worden volgens de tendensen, die hun speciale functie meebrengt. Later groeien de organen uit, maar zolang als dit groeien doorgaat, geschiedt het volgens het vormmodel, dat zich voor elk orgaan tot aan het moment van de tandenwisseling ontwikkeld heeft. Is het vormmodel goed, dan groeien de vormen ook op de juiste wijze uit, is het model gebrekkig, dan ontstaat misvorming bij de verdere groei. Wat men als opvoeder in de periode tot het zevende jaar verzuimd heeft, kan men in de daarop volgende tijd niet meer goed maken. Vóór de geboorte schept de natuur de juiste omgeving voor het fysieke mensenlichaam, na de geboorte behoort de opvoeder voor de juiste fysieke omgeving te zorgen.

Wat er in zijn stoffelijke omgeving voorvalt, bootst het kind na en door de activiteiten van het nabootsen worden zijn fysieke organen in de vormen gesmeed, die dan als model behouden blijven. Men moet echter het woord “stoffelijke omgeving”in de ruimste zin opvatten. Hiertoe behoort niet alleen, wat zuiver stoffelijk om het kind heen voorvalt, maar ook alles, wat zich in zijn omgeving afspeelt en wat waargenomen kan worden door zijn zintuigen, wat van de stoffelijke ruimte uit op zijn geest kan inwerken. Daartoe behoren ook alle morele of immorele, alle verstandige en dwaze handelingen, die het kind voor ogen krijgt.

Geen zedenpreken, geen wijze lessen werken op het kind met het hierboven genoemde effect, maar datgene, wat het de volwassenen in zijn omgeving ziet doen.

Een gezond gezichtsvermogen ontstaat, wanneer het kind omgeven is door goede kleuren en juiste lichtwerkingen en in de hersenen en bloedsomloop wordt de fysieke grondslag voor morele vermogens gelegd, wanneer het kind moraliteit voor ogen krijgt. Wanneer het kind vóór zijn zevende jaar alleen maar dwaze handelingen om zich heen ziet, dan nemen de hersenen een zodanige vorm aan, dat ze in het latere leven de mens ook alleen maar geschikt maken om dwaasheden te begaan.

Evenals de spieren van de hand sterk en krachtig worden, wanneer ze arbeid verrichten, die met hun functie overeenstemt, worden de hersenen en de andere organen van het fysieke mensenlichaam tot de juiste werking gebracht, wanneer ze de juiste indrukken uit de omgeving ontvangen.

Vreugde en welbehagen zijn krachten, die op de allerbeste wijze de stoffelijke orgaanvormen tot ontplooiing brengen.

Tot de krachten, die vormend inwerken op de stoffelijke organen, behoort dus de vreugde, die aan de dingen van de omgeving en met deze omgeving samen beleefd wordt. Een liefde, die het kind met een atmosfeer van warmte omgeeft, broedt in de ware zin van het woord de vormen van de organen uit.

Bron: De opvoeding van het kind in het licht der antroposofie – 1908

Maarten ’t Hart – Nietzsche-dispuut

Nadat ik een jaar lang lid was geweest van het Plato-dispuut, en vervolgens van het Sjestov-dispuut (Sjestov: Russisch filosoof, in de mode halverwege de jaren zestig, thans totaal vergeten) mocht ik zelf, samen met Jan van de Craats, een wijsgerig dispuut leiden: het Nietzsche-dispuut. Een jaar lang lazen en bespraken wij elke veertien dagen hoofdstukken uit het werk van deze domineeszoon. We hadden enkele vrouwelijke leden die op de dispuutavonden hun breiwerkje meebrachten. Mij ergerde dat toen hevig; nu ben ik geneigd te zeggen: ‘Dames, jullie hadden groot gelijk, jullie deden toen tenminste nog iets nuttigs.’

Bron: Maarten ’t Hart – Een deerne in lokkend postuur – Persoonlijke kroniek 1999 – Hoofdstuk ‘Is Kant riskant?’