Rudolf Steiner – Denk niet te veel

De eerste grondregel voor het studeren van de mens is dat men niet te veel moet nadenken. Dat zal u vreemd voorkomen, maar u zult zo dadelijk wel begrijpen wat ik bedoel. Door nadenken wordt een mens natuurlijk niet zo bijzonder verstandig. Als hij zo loopt te broeien over wat hij gadegeslagen heeft, dan komt er in de regel niet veel verstandigs te voorschijn.

Als men dus de dingen van de wereld wil leren kennen, moet men niet teveel van het nadenken verwachten; dat is niet zo belangrijk. Als de feiten ertoe nopen, moet men nadenken, maar men moet het niet als hoofddoel beschouwen om na het waarnemen van iets daarover te gaan lopen broeien om er achter te komen hoe de zaak zit. Men moet andere dingen bekijken, ze met elkaar vergelijken en een samenhang zoeken. Hoe meer men naar de samenhang zoekt, des te meer wordt men gewaar bijvoorbeeld van de natuur. Al degenen die over natuur hebben lopen nadenken, hebben in de grond niets meer gevonden dan ze al wisten.

Als iemand materialist is dan praat hij ook over de natuur materialistisch, omdat hij het al is. Hij ontdekt niets nieuws. Als iemand idealistisch over de natuur praat, doet hij dat omdat hij tòch al idealist is. Men kan altijd ondervinden dat de mensen door nadenken alleen maar dat vinden, wat ze van te voren al wisten. Op de juiste wijze denken ontstaat pas als men zich eenvoudig door de feiten ertoe laat brengen.

Bron: Gezondheid en ziekte – Dornach 10 januari 1923

It ain’t no use to sit and wonder why
If you don’t know by now
It ain’t no use to sit and wonder why
It will never do anyhow…


Advertenties

11 gedachtes over “Rudolf Steiner – Denk niet te veel

  1. Vind dit een ijzersterk Steiner citaat. Doet me inoudelijk bezien denken aan een tekstpassage van een gedrukte voordracht van Steiner. Zal die opzoeken en een deel ervan hier vanavond of anders morgen in deze reactieruimte plaatsen. Zal dan ook kort commentaar leveren op de muziekvideo van Johnny Cash die ik nog beluisteren en bekijken moet.

  2. @John

    Alvast bedankt voor de tekst die je nog zult sturen, maar doe maar kalm aan. Ja, ik vind dit citaat ook erg sterk. Ik heb het wel eens vaker ter sprake gebracht bij de blog van Hugo Verbrugh, want ik had graag willen horen wat hij hiervan vindt. Het is toch op zijn minst zeer opmerkelijk dat een groot denker als Steiner zegt dat men niet te veel moet nadenken. Maar merkwaardig genoeg geeft Verbrugh op zulk soort uitspraken totaal geen sjoege.

  3. @ Ridzerd

    Steiners voordracht ‘Praktische ontwikkeling van het denken’, Karslruhe, 18-1-1909; GA 108 is jou zeer bekend. Die heb je verscheidene keren gelezen zo schreef je eerder.

    Minder bekend is Steiners nog niet in het Nederlands vertaalde voordracht ‘Praktische ontwikkeling van het denken’, Berlijn, 11-2-1909; GA 57, bladzijde 245 tot en met 265. In die voordracht rept Steiner binnen een bepaalde context ondermeer over een belang van periodiek (niet constant) niet/bewust denken. Zie tekstcitaat nummer 5 hieronder.

    Terwijl hij ook opmerkt dat voor ontwikkeling van praktisch denken drie (hoofd)zaken vereist zijn: a. interesse ontwikkelen voor de omringende werklijkheid (omgeving); b. lust en plezier beleven/uitleven bij het verrichten van daden en c. bevrediging scheppen in/beleven bij overpeinzen, overwegen, overdenken. Zie tekstcitaat nummer 1 hieronder.

    Aldus stelt hij een verhouding tussen (gezond) denken en (gezond) ‘niet’ denken aan de orde.

    Tekstcitaat 1
    “[…] Da gibt es dreierlei, das zu berücksichtigen ist, wenn der Mensch wirklich eine Erziehung im Sinne des praktischen Denkens auf sich nehmen will: Erstens muß und soll der Mensch Interesse entwickeln für die äußere ihn umgebende Wirklichkeit, Interesse im bezug auf Tatsachen und Gegenstände. Interesse an der Umwelt, das ist das Zauberwort für die Gedankenerziehung. Lust und Liebe zu dem,was wir tun, das ist das zweite. Und Befriedigung an dem, worüber wir nachsinnen, das ist das dritte. Wer diese drei Dinge versteht: Interesse an der Umwelt, Lust und Liebe am Tun und Befriedigung im Nachsinnen, der wird bald finden, daß dies die Hauptanforderungen sind, die an eine praktische Ausbildung des Denkens zu stellen sind. […]” (Bladzijde 252)

    Tekstcitaat 2
    “[…] Das erste, was bei demjenigen vorhanden sein muß, der eine wirklich praktische Ausbildung des Denkens erfahren will, ist, daß man den Glauben und das Vertrauen hat an die Wirklichkeit, an die Realität der Gedanken. Was heißt das? Aus einem Glase, in dem kein Wasser ist, kann man kein Wasser herausschöpfen. Und aus einer Welt, in der keine Gedanken sind, kann man keine Gedanken herausnehmen. Es ist das Absurdeste, wenn man glaubt, daß die gesamte Summe unserer Gedanken und Vorstellungen nur in uns selber vorhanden sei. […]” (Bladzijde 251)

    Tekstcitaat 3
    “[…] Es ist kein Gedanke in unserer Seele, der nicht zuerst draußen in der Welt gewesen ist. Aristoteles hat richtiger als mancher Moderne gesagt: Was der Mensch in seinem Denken zuletzt findet, das ist in der Welt draußen als erstes vorhanden.

    Hat man aber dieses Vertrauen zu den Gedanken, die innerhalb der Welt enthalten sind, dann wird man sehr leicht einsehen, daß man sich zunächst zu erziehen hat zu einem interessevollen Denken an der Welt, zu jenem großen, schönen Ideal des Denkens, wie es Goethe auszeichnete: das gegenständliche Denken, jenes Denken, das sich möglichst wenig absondert von den Dingen, das möglichst an den Dingen haften bleibt. Heinroth, der Psychologe, konnte in bezug auf Goethe den schönen Ausspruch gebrauchen, daß sein
    Denken ein gegenständliches sei, ein solches, bei dem die Gedanken nichts anderes ausdrücken, als was in den Dingen selber enthalten ist, und daß in den Dingen nichts anderes gesucht wird als der wirkliche schöpferische Gedanke. […]” ( Bladzijde 251 en 252.)

    Tekstcitaat 4
    “[…] Der größte Feind des Denkens ist im Grunde genommen oft das Denken selber. Wenn man nämlich glaubt, nur man selber könne denken und die Dinge hätten nicht Gedanken in sich, so steht man eigentlich der Denkpraxis feindlich gegenüber. […]” (Bladzijde 253.)

    Tekstcitaat 5
    “[…] Das Denkorgan in sich wirken lassen, ohne das man dabei ist, das ist ein sehr, sehr wichtiger Grundsatz. Und das übt man dadurch, daß man, wenn auch noch so kurze Zeit des Tages versucht, einmal gar nicht zu denken. Ein großer, gewaltiger Entschluß gehört dazu, irgendwo zu sitzen oder zu liegen, ohne sich Gedanken durch den Kopf gehen zu lassen. Es ist viel leichter, diese auf- und abwogenden Gedanken in sich spielen zu lassen, bis man von ihnen erlöst wird durch einen guten Schlaf, als sich zu gebieten: Jetzt wirst du wach sein und dennoch wirst du nicht selber denken, sondern du wirst gar nichts denken. Wenn man in der Lage ist, still zu sitzen oder zu liegen und bei vollem Bewußtsein nichts zu denken, dann wirkt das Denkorgan so, daß es in sich Kraft gewinnt, Kraft ansammelt.

    Und wer immer wieder sich in diese Möglichkeit versetzt, bei vollem Bewußtsein nicht zu denken, der wird sehen, wie die Klarheit seines Denkens zunimmt, wie namentlich die Schlagfertigkeit dadurch wächst, daß er nicht bloß durch den Schlaf seinen Denkapparat sich selbst überläßt, sondern daß er unter eigener Führung diesen Denkapparat selber arbeiten laßt. Nur wer von allen Geistern der Spiritualität verlassen ist, kann glauben, daß dann überhaupt nicht gedacht wird. Hier gilt das Wort, das Goethe von der Natur sagt: «Gedacht hat sie und sinnt beständig.»

    Auch das tiefste innere Wesen des Menschen hat Gedanken, hegt Gedanken, wenn auch der Mensch mit seinen bewußten Gedanken nicht dabei ist. Und auch in dem Falle, wo der Mensch gar nicht dabei ist bei seinem Denken, dann denkt doch etwas in ihm, dessen er sich nur nicht bewußt ist. In diesen Momenten, so der Mensch ohne seine eigenen persönlichen Gedanken daliegt, denkt wirklich ein Höheres in ihm, und dieses Höhere wirkt ungeheuer bildend und erziehend auf ihn. Das ist wesentlich und wichtig, daß der Mensch auch das Überbewußte, das Göttliche in sich wirken und weben läßt, das sich nicht unmittelbar, aber in seinen Wirkungen ankündigt. Man wird nach und nach ein klarer und schlagfertiger Denker, wenn man sich solchen Denkübungen hingegeben hat. Es gehört eine gewisse Tatkraft und Energie dazu, solche Denkübungen zu pflegen. […]” (Bladzijde 262 tot en met 264.)

  4. @John

    Ja, klopt, dat boekje heb ik in een uitgave van 1968. Practisch wordt zelfs nog met een c geschreven (merkwaardig genoeg alleen in de titel, niet in de inhoud van het boekje). Ik heb lange tijd gedacht dat het een geschreven tekst was en niet een voordracht, want er staat verder geen enkele bronvermelding in het boekje. Maar ik heb het even vergeleken met die voordracht GA108 in Karlsruhe die jij noemt. En inderdaad, dat is hem.

    Die andere die jij noemt, uit GA 57 dus, daarvan heb ik lang gedacht dat de inhoud daarvan ongeveer hetzelfde is, omdat de titel ook hetzelfde is, maar uit de teksten die jij hier citeert, blijkt dat er ook veel nieuws in staat dat in die van GA 108 niet besproken werd.

    Zeer interessant moet ik zeggen. Deze ga ik zeker ook helemaal lezen.
    Ik heb het ‘niet denken’ waar Steiner het hier over heeft, wel eens geprobeerd, maar daar bracht ik uiteraard niets van terecht. Bedoelt hij eigenlijk dat men zijn bewustzijn helemaal leeg maakt, dus dat men niet alleen niet denkt, maar ook geen enkel beeld in zijn voorstellingen heeft? Weet jij dat, goeroe John?

  5. Geachte heren,
    Erg mooie bijdrage hebben jullie zo samen gewrocht! Bijzonder interessant.
    Ik kwam een klein spellingsfoutje tegen, en dat kan in het Duits nog wel eens hinderlijk zijn. In het laatste tekstblokje van John om 16.44 uur (‘tekstcitaat 5’) staat:
    ‘In diesen Momenten, so der Mensch ohne seine eigenen persönlichen Gedanken daliegt…’
    Dat moet zijn: ‘In diesen Momenten, wo der Mensch…’

  6. Inderdaad, heer Gastkemper, ik had er over heen gelezen. Zeer attent, bedankt. Ik kom er de laatste tijd niet veel aan toe uw blog te lezen. Ik heb een oude laptop van mijn dochter gekregen, die ik naast de gewone computer kan gebruiken, maar ik wou wat veranderen eraan en nu is alles in de soep gelopen.
    Daar ben ik dus nogal druk mee.

  7. @ Ridzerd

    Ja die voordracht is het zeker waard om in zijn geheel te lezen. Wat het ‘niet denken’, zoals Steiner beschrijft, kan inhouden? Kan me er bijvoorbeeld wel het volgende bij voorstellen: een stemming van gelatenheid of dankbaarheid of een gemoedsstemming waaruit gelijkmoedigheid spreekt; te versterken of (weer) op te wekken door bepaalde daarbij aansluitende basisoefeningen onder andere beschreven in Steiners De wetenschap van de geheimen der ziel – Herkomst en bestemming van de mens (GA 13; Hoofdstuk Inzicht in hogere werelden [Over de inwijding of initiatie]; zes basisoefeningen.)

  8. @John

    Ik heb vanmiddag de hele voordracht gelezen. Zeer frappant eigenlijk dat men het denken versterken kan door juist niet te denken. Maar al met al is het me toch niet echt duidelijk, want men kan zijn gedachten wel verzetten of aan iets anders gaan denken dan waar aan men denkt, maar bij vol bewustzijn helemaal niet denken, hoe moet dat. Men kan wel in een stemming van gelatenheid zijn, maar er is evengoed altijd wel wat in de gedachten, lijkt mij.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s