Steiner over het geroddel in de kennissenkring van zijn echtgenote

Vanaf de zomer van 1892 huurde Steiner de benedenverdieping van de woning van Anna Eunike, een weduwe met vijf kinderen. In 1899 traden zij in het huwelijk. Zij kon Steiner echter niet volgen in zijn inzet voor de theosofie/antroposofie en zij leed ook onder Steiners hechte band met Marie von Sivers, die Steiner in het begin van de 20ste eeuw ontmoette. Het geroddel daarover was in de vrienden- en kennissenkring van Anna Eunike niet van de lucht.

Over dit geroddel schrijft Steiner in een brief aan haar van 14 februari 1904. Hier volgen enkele opmerkelijke fragmenten uit die brief.

De manier waarop dat eeuwige geroddel doorgaat, is toch werkelijk afschuwelijk. Hebben de mensen dan echt niets anders te doen dan over hun medemensen dergelijke dingen uit te broeden? Ik zou met dat soort dingen liefst helemaal niets te maken willen hebben. Maar dat schijnt nu juist mijn ongeluk te zijn, dat ik me nooit om dergelijke achterbaksheden heb bekommerd.

Maar ik weet werkelijk niet wat ik tegen die roddelzucht moet doen. Waren de mensen ook maar een beetje geneigd zich met iets zinnigs en vruchtbaars bezig te houden, dan kwam het niet in ze op om hun neus in elk muizengaatje te steken en zich met de persoonlijke aangelegenheden van hun medemensen bezig te houden.

Maar moet ik dan als een burgerman in een burgermansvogelkooi leven, om me met andere burgermannen en –vrouwen over soortgenoten druk te maken? Als dat ooit in me gezeten had, dan vocht ik niet nog steeds voor elk stukje brood, dan zou ik een of andere burgermansbaan hebben en gelukkig zijn. Ik wil me niets aanmatigen, maar om een spoorweg te bouwen of een fabriek te leiden of een referendarispost te vervullen, zou mijn verstand wel driemaal toereikend zijn geweest. Lieve Anna: daarvoor was ik toch niet dom genoeg. Zoals gezegd, dat is geen aanmatiging. Ik heb me nooit bezig gehouden met persoonlijke aangelegenheden van mensen; het liet me altijd onverschillig wat ze deden op gebieden die anderen niets aangaan. Ik heb mij nooit voor iets anders geïnteresseerd dan voor wat geestelijk is.

Waarom wil je toch absoluut de raad van mensen inwinnen die geen vonkje begrip voor mij hebben? Van mensen die alles toch maar met scheve ogen bezien en die geloven dat anderen net zo slecht zijn als ze zelf zouden zijn als ze er niet te laf voor waren. Dikwijls zijn ze zelfs zo slecht en weten ze het alleen maar goed te verbergen. Moet ik dan, omdat jij de raad van domkoppen inwint, afhankelijk worden van domheid?

(Berlijn, 14 februari 1904)

Bron: Brieven – Rudolf Steiner (Uitgeverij Vrij Geestesleven/Zeist)

Rudolf Steiner en Marie von Sivers in 1908